Lachwekkend Nederland

Het voormalige Organon in Oss stuurt ongeveer de helft van zijn werknemersde laan uit. Na vaak vele jaren in dienst te zijn geweest als onderzoekerworden ze afgedankt door het moederbedrijf in de Verenigde Staten. Dat dit voorde betrokken personen een tragedie is, staat buiten kijf. Dat dit voor Oss eentragedie is, is al even duidelijk. Wat we ons echter misschien niet realiserenis dat dit ook voor Nederland een tragedie is. En naar ik vermoed, zal dezetragedie een trend inluiden waarbij voornamelijk buitenlandse op kennisgebaseerde bedrijven besluiten dat Nederland toch niet bepaald de meestgeschikte keuze is als basis voor een wetenschappelijk bedrijf. Ik hoop dat ditniet het geval is, maar ik vrees dat ik gelijk heb.

Nederland probeert zich al jaren halfslachtig te presenteren alskenniseconomie. Zo langzamerhand begint dit steeds meer de vormen van eenrunning gag aan te nemen. Telkens wanneer we een politicus zien die bazelt overNederland als kenniseconomie kunnen we in gedachten gniffelen om de leegheid ofhet gebrek aan realisme van deze uitspraak. Nederland heeft namelijk helemaalgeen kenniseconomie of zelfs maar een kenniscultuur: Nederland vereert eerderde middelmaat en, durf ik het te zeggen, de domheid.

Hoe anders moeten we uitleggen dat een land dat pretendeert om kennis tewillen stimuleren het volgen van een studie duurder wil maken uit hoognodigebezuinigingsdrift maar wel in de nabije toekomst een peperduur internationaalvoetbaltoernooi wil organiseren? Zoiets is een gotspe: In een tijd dat iedereengevraagd wordt verstandig met zijn of haar geld om te gaan en zich te hoedenvoor onnodige uitgaven, gaat een berooide Nederlandse overheid zijn best doenéén van de meest dure evenementen ter wereld binnen te halen.

De Nederlandse politiek en de Nederlandse samenleving zijn natuurlijk ookuiterst in zichzelf gekeerd. Onze internationale positie en het daadwerkelijkwerken aan onze toekomst zijn in de campagnes ondergeschikt aan breekpuntenover zulke uiteindelijk futiele zaken als de hypotheekrenteaftrek en de meningvan een miljoen bange Nederlanders. Ongeacht hun pretenties zijn allegevestigde politieke partijen in ons land vooral bezig met plucheplakkerij enhet afsnoepen van elkaars zetels over doorgaans triviale zaken. Het aanhakenbij de kleingeestige middenmoot blijkt ook uit hoe lijsttrekkers over hetalgemeen campagne voeren: Ze schuiven aan bij RTL Boulevard om te kakelen overde kledingkeuze van Kim Holland, ze bezoeken de Libelle Zomerdagen om het bestemerk stofzuiger uit te kiezen en ze komen bij De Wereld Draait Door een liedjezingen. Helaas is dat allemaal écht erg gewaagd in een tijd van crisis en dathet Nederlandse volk ervan smult, geeft wel aan dat de ware crisis vanNederland er één van geloofwaardigheid is.

Natuurlijk krijgt een volk de politici die het verdient. En laten we welwezen, hoewel we nog lang niet de bedroevend anti-intellectuele houding van deVerenigde Staten bereikt hebben, zijn we wel onderweg. Voor de meesteNederlanders zijn wetenschappers geen mensen die veel aanzien hebben, terwijldeze ‘witte jassen’ wel degenen zijn aan wie we onze grote technologischeverworvenheden te danken hebben. Toch worden wetenschappers gezien als duurbetaalde hobbyisten die met fruitvliegjes spelen en ons aan willen praten datwe minder benzine moeten gebruiken. Er zijn niet veel Nederlanders voor wiejuist een wetenschapper een idool is. Hoe hartverwarmend en hoopgevend zou hetniet zijn wanneer Nederlandse kinderen aangaven dat Stephen Hawking, MadameCurie of Charles Darwin hun grote voorbeeld was in plaats van Wesley Sneijder,Jan Smit of een andere (ex-)geliefde van Yolanthe Cabau van Casbergen? Dit,namelijk het intellectueel stimuleren van de jeugd, zou de voornaamste zorg vande overheid moeten zijn wanneer het de bedoeling is om van Nederland eenkenniseconomie te maken. Hoe kunnen we ooit een dergelijke economie doenontstaan wanneer de jeugd niet gestimuleerd wordt om kennis te zien als eengroot goed en een groots streven?

Iets anders dat mij een doorn in het oog is, is de nog altijd bestaandescheiding tussen openbare en bijzondere scholen. Hoe kan een land dat blijkbaarambieert een kenniseconomie te zijn nu toestaan dat een deel van de jeugdopgeleid wordt door scholen met wereldvreemde opvattingen? Daar komt nog bijdat deze scheiding in onderwijs duur is: Immers, gescheiden onderwijs is duuren inefficiënt. Dat de schoolstrijd überhaupt resulteerde in het subsidiërenvan religieus onderwijs is al erg, en dat dit gedrocht nu nog steeds bestaat isronduit archaïsch en belachelijk.

Feitelijk zijn alle gevestigde politieke partijen, en ik reken daartoe ookde PVV, te veel bezig met elkaar vliegen af te vangen en hun aandeel in demacht te verdedigen, om door te durven pakken. Het grote aantal partijen werktdit wellicht slechts in de hand. Immers, wanneer er zoveel concurrenten zijn ener altijd compromissen gesloten moeten worden, is het zeer risicovol om metgewaagde plannen te komen en al helemaal om lak te hebben aan de mening vanbange anti-intellectuelen. Het paradoxale is dat juist een groot aantalpartijen inhoudt dat de onderlinge verschillen klein zijn wat betreft zowelinhoud als aanpak. We kunnen ons dan ook afvragen of Nederland geen ietwatdoorgeschoten en contraproductieve democratie kent. Dit is een zeer gevoeligeen controversiële vraag die  de politiekdirect aan gaat, dus dat het geen issue is in Den Haag is niet verwonderlijk.Ik vraag me echter wel af of de daadwerkelijk bevlogen politici nooit met dezegedachte hebben gespeeld.

Tegenwoordig lezen we, of toch in ieder geval de mensen die wel eens eenkrant lezen die het prentenboek-niveau van de Telegraaf ontstijgt, datNederland onbestuurbaar is geworden. Ik denk persoonlijk dat dit sterkoverdreven is, maar ik denk wel dat het sierlijke Nederlandse zeilschip waar wein het verleden zo trots op konden zijn steeds verder afgetuigd wordt tot eenmoeizaam voort gepeddeld vlot met een bemanning zonder eindhaven voor ogen.

9 July 2010
By on 10:48
Nieuws van het Noorderfront:Deel 15

Maandag 12 november 2007

Het was vandaag een vreemde dag; ’s morgens moest ik mijn tentamen Redeneren maken. Het was een vreemd tentamen maar ik denk dat ik het wel aardig gemaakt heb. Het deed me genoegen te zien dat ik, zoals het een du Bois betaamt, als eerste klaar was, zonder dat ik ook maar één keer angstzweet heb gehad of van die klagelijke zuchten heb geslaakt die je tijdens dat soort schriftelijke toetsen in groepsverband zo vaak hoort. Nu was een medestudente al eerder weggegaan maar ze leverde haar werk zo snel in en maakte zo’n verslagen en hatelijke indruk dat ik vermoed dat ze er niks van wist en maar weggelopen is. Zwakke mentaliteit. Je kunt beter gewoon de toets maar maken, dan heb je die dikke onvoldoende die je wellicht krijgt tenminste echt verdiend.

Florentine en Joost waren pas veel later klaar dan ik. Tegen de tijd dat ik ze in de computerruimte trof had ik al kunnen bekijken wat Diederik-Jaap me aan uren gegeven had om voor hem in te vallen. Mijn hart maakte een sprongetje toen ik zag dat ik van hem alleen uren op de woensdag- en donderdagmiddag kreeg. Twee vrije ochtenden en toch nog stagelopen!

Toen Florentine en Joost eenmaal gearriveerd waren gingen we aan het echte werk; Leerlingbegeleiding afmaken. Dit beloofde een hels karwei te worden omdat we een werklast hadden gekregen die allerminst in verhouding stond tot dat ene puntje dat dit vak opleverde. Toen we er eenmaal voor waren gaan zitten en de taken verdeeld hadden bleek het te doen te zijn. Wel waren mijn ‘reflecties per les’ wel erg kort, merkte Florentine op. Ze maakte me duidelijk dat de drie regels per les niet bepaald door konden gaan voor het halve A4 dat je per les uit diende te trekken en dat het enigszins verdacht stond dat die laatste zin elke keer “Het was erg leerzaam” was. Ik wees haar erop dat hij allerminst genoeg gedaan had in de lessen om een half A4 te rechtvaardigen en dat hij blij mocht zijn dat ik nog loog dat het leerzaam was, om zijn gevoelens te sparen.

Nadat het werk uiteindelijk toch nog grotendeels af was besloten we als vanouds naar de Burger King te gaan. Ik heb weer genoten van mijn King Size Twisterfries, 6 Chicken Wings en Medium Cola. Opvallend aan de Burger King is, zoals een andere klant tegen haar vriendin zei, dat porties in Medium, Large of King Size komen. Dit suggereert volgens mij dat Small niet bestaat voor de King of dat de porties eigenlijk kleiner zijn dan ze genoemd worden en je dus braaf te veel betaalt voor zo’n portie in de veronderstelling dat je krijgt waar je voor betaalt. In dat laatste geval is mr. King een sluwe verkoper.

We bogen ons over hoe Hanna nog steeds met me afsprak en ze toen die verwarde vrouw nepbommen had gehad op Centraal Station met me naar mijn kamer was gegaan. Naar het idee van Florentine zou ze dit zelf echt niet kunnen en willen en volgens Joost zou ik van de gelegenheid misbruik gemaakt hebben. Hij grapte erover maar volgens mij zag hij het echt zo.

Die middag moest ik weer naar Zeeland omdat ik dinsdag een afspraak met mijn orthopeed heb. Half zes kwam ik thuis en dat betekende dat ik heerlijk mijn voeten onder tafel kon schuiven en eten.

Dinsdag 13 november 2007

De orthopeed was tevreden en ik dus ook. Ik kon mijn knie probleemloos buigen, mijn kniebanden waren goed teruggegroeid en ik kon lopen met dit been. Dit betekende dat ik mijn brace in kon leveren en dat ik kan beginnen aan fysiotherapie. Dit laatste vind ik minder maar de dokter zei wel dat ik er lekker gespierde benen van zou krijgen en dat is natuurlijk ook wel mooi. Ik zet volgens mij redelijk makkelijk spieren aan, ondanks dat ik zo dunnetjes gebouwd ben. Toen ik nog elke dag 24 kilometer op een dag naar en van school fietste had ik keiharde benen. Dit heeft misschien ook voorkomen dat ik toen al door mijn knie ging. Een ander voorbeeld: Sinds een paar weken ben ik bezig met elke dag buikspieroefeningen te doen en ondertussen heb ik iets wat toch flink op een sixpack lijkt. Alleen nog iemand vinden die hem wil zien en strelen.

Ik ga maar in Rotterdam zoeken naar een fysiotherapeut. De beheerder had al eens laten weten dat er dichtbij één zou zitten. Ik moet het hem maar eens vragen.

In de krant kwam ik vandaag tegen dat er een site genaamd www.mooiemensen.com bestond! Ik vond dat bijzonder fascinerend en toen ik las dat de beheerder van die site alleen maar écht mooie mensen toestaat en al zeker 300 ‘afzichtelijke mensen’ afgewezen had, dan heb je mij helemaal geboeid.

Terwijl ik die avond weer in de trein zat terug naar Rotterdam en mezelf langdurig bewonderde in de ruit waarin ik mezelf weerspiegeld zag bedacht ik me dat ik er waarschijnlijk zonder meer door zou komen bij de selectie voor mooiemensen.com.

Eenmaal op mijn kamer aangekomen stond me al gauw een verrassing te wachten; Kobus klopte bij me aan om me een tros bananen te geven. Nu was dit niet alleen maar aardigheid van hem, want hij had deze tros gratis bij een andere tros gekregen in een actie van Bas van der Heyden, waardoor hij nu meer had dan hij op kon. Toch zie ik het als een teken van affectie dat hij de tros uitgerekend aan mij geeft. Ik ga er tenminste niet vanuit dat hij de bananen vergiftigd of anderszins gevaarlijk gemaakt heeft.

Woensdag 14 november 2007

Wat een heerlijk begin van een dag om lekker laat eruit te mogen en je op het gemakje klaar te maken voor je werkzaamheden! Om kwart voor 9 uit bed, op het gemak douchen, eten en naar de supermarkt en vervolgens op datzelfde gemakje richting bushalte om je naar je stageschool te laten vervoeren waar je na een paar uur weer weg mag. Maar wat bleek?

Ik was te laat gekomen; ik dacht dat Willem me gezegd had er het 5e uur te zijn, dus om kwart voor 12. Maar wat bleek? Hij had me het 4e uur gezegd dus om 11 uur. Op dat moment zat ik in de bus richting Bergschenhoek. Hij was er echter niet kwaad om, wat me enigszins verbaasde: zijn klas was bezig met Economie en had daar veel moeilijkheden mee. Op dat moment zijn 28 leerlingen vooral heel veel leerlingen. Ik ben dan ook te hulp geschoten bij opdrachten over debet, credit, balansen en andere stof die ik al lang niet meer gehad heb en zelf ook nooit bepaald boeiend vond. Dat ik nu Economie stond te begeleiden zonder het zelf echt een leuk vak te vinden of zelfs maar gestudeerd te hebben, vond een aantal meisjes in de klas erg vreemd en ik kan ze daarin eigenlijk geen ongelijk geven. In mijn woorden tot hen deed ik dat natuurlijk wel.

Ik had nog twee verrassingen: Het eerste was dat er die middag om 2 uur intervisie was waar ik niet naar toe kon, omdat ik op dat moment lesgeef. Kwam ik weer goed weg! Ik vroeg Lilian me af te melden en ik ga er vanuit dat ze dat ook gedaan heeft. In tegenstelling tot veel van zulke christelijke types houd ze haar woord en praat ze niet alleen principieel maar gedraagt ze zich ook principieel.

De tweede verassing was dat het deze avond de informatieavond voor de ouders zou zijn. Dit hield in dat ik vragen naar mijn hoofd geslingerd kreeg over wat ik om zes uur wilde eten. Ik zei Bouchra allereerst dat ik dacht niet te komen; toen ik echter zag dat er die avond heerlijk Bourgondisch gegeten kon worden en ik bedacht dat ik bij de Halloweenviering ook al verstek had laten gaan, besloot ik toch maar te blijven. Het duurde wel erg lang voor het 6 uur was, maar het laatste uur werd minder zwaar doordat er nu veel collega’s al binnengedruppeld waren waaronder ook één van mijn favorieten: de kale en dikkige Job. Job heeft een fascinatie met films, comedy en strips die me in staat stelt altijd met hem te kunnen praten en nog op een prettige manier ook. Toen ik in de groep, na een gesprek over Asterix en Obelix  met Job, een aantal gags van DirkJan begon na te vertellen had ik al mijn toehoorders aan het lachen. Wat voelt dat toch goed!

Toen was er het eten en ik heb genoten: mixed ribs en vier bijzonder lekkere gepaneerde garnalen (van de oorspronkelijke zeven was er één gestolen door Job, één door Hillegersberg-teamleider Kevin en één door onze Italiaanse docent klassieke talen Benito, die allen nog voordat ik zelf toe had kunnen tasten meldden dat ze erg lekker waren) en een toetje, en naderhand ook nog de gebakken aardappels die Diederik-Jaap en iemand die zijn of haar eten blijkbaar niet meer hoefde. Op zo’n moment vind ik het erg zonde van het eten dat op het punt staat weggegooid te worden en ontfermen mijn maag en ik ons erover. We doen dat met plezier. Ik was dus als één van de eerste beginnen te eten en ook nog eens als laatste klaar, ondanks mijn snelle eettempo. Overigens heb ik niet zo snel gegeten als dat ik had gekund, want ik onderhield ook nog een gesprek met Job over bijvoorbeeld Kuifje en het leven van diens schepper Hergé.

Tijdens het afruimen, toen ik nog als laatste bezig was met inruimen van de afwasmachine nadat Werner ook vertrokken was, kwam, Lorelai, onze Zuid-Afrikaanse docente Drama, nog even terug.

“Where is Werner?”

“He’s just gone, I believe he was shocked by sensing your upcoming appearance here.” (Hiermee half refererend naar een incident op Halloween, waarbij zij opeens blijkbaar Werners handen op haar boezem had geplaatst, tot diens grote schrik en leidend tot heel veel grappen onder het personeel.)

“I’m sure he was. You know me and him had something going on, right?”

“So I’ve heard. It shook him terribly.”

“Probably but you know…I’m totally not his type.”

“I wouldn’t think so, no.”

“In fact, you’re more likely to be his type then I am. Do you get my drift?”

“I thought as much. And it is not only due to my extremely good looks.”

Werner is homoseksueel en het straalt van hem af.

Eerder die dag had ze trouwens ook al een gesprek met me gehad naar aanleiding van het Romeo en Julia-project dat ze met de tweedeklassers ging doen. Hierbij vertelde ze hoe het ongelukkige tienerkoppel op tijd van 7 dagen elkaar ontmoet, verliefd wordt, trouwt, het huwelijk consumeert en zelfmoord pleegt. Ze ging verder:

“Wasn’t everything more dramatic when you were that age? Can you remember falling in love at that time and seeing her (daarmee aangevend dat ze mij daadwerkelijk de vraag stelde) and thinking she was the most beautiful girl in the world and didn’t you cry like you never cried before or since,when you two broke up?”

Op dat moment was ik denk ik wat aan het stamelen; het was alsof mijn verliefdheid op Froukje toen ik 14 was woord voor woord beschreven werd. Afgezien dan van dat wij nooit een relatie gehad hebben dan. Ik bedacht me nog hoe naïef ik toen was en hoe cynisch ik nu ben, met mijn niet verliefd worden, het oppervlakkig nastreven van wipjes en het luisteren naar bijzonder vrouwonvriendelijke muziek . Ik wijt dat cynisme toch voor een deel aan dat het toen niet goed kwam met Froukje en mij en dat dat me zo’n pijn deed.

Overigens kreeg ik niet de kans dat te zeggen; Rud was binnengekomen en nam het gesprek van me over waarbij ze een deel van haar levensverhaal ten beste gaf.

Werner had overigens eerder op die dag nog gezegd dat ik te langdradig praatte en dat dit de PR van de school niet ten goede zou komen; ergo, ik moest van hem maar mijn bek houden. Hij zei het niet zo serieus maar volgens mij meende hij het wel degelijk. Ach, ik heb er mee gelachen en besloten er verder niet meer mee te zitten.

Met Benito, die een boekje mee had waarin Ollie B. Bommel in het Latijn vertaald was, bedacht ik nog wat ‘Tom Poes, verzin een list!’ in het Latijn zou zijn. Volgens Benito en volgens mij als ik het me goed herinner was dat:

 â€˜Tomasso Felius inventi dolum!’ Een prachtige zin.

De avond was overigens nog best gezellig; de school liep vol met vele ouders van het type dat veel geld, veel eisen en veel kritiek en praat over ‘je wilt toch het beste voor je kind’ om ze vervolgens al van kleins af aan te dumpen in de kinderopvang en ze op iets hogere leeftijd duizend-en-één verplichtingen geeft in het kader van hun gezonde ontwikkeling tot verantwoordelijke, ontwikkelde en artistiek onderlegde volwassenen. Dit zo met goede bedoelingen onderdrukte kroost was veelal ook aanwezig.

Ik heb tijdens deze avond niet veel gedaan en dat maakte het des te beter. Wel heb ik om de workshops die de aanstormende  leerlingen moesten doen en presenteren voor alle aanwezigen (ook al zoiets!) met Willem staan lachen om de vergelijkingen die je kon trekken tussen de langdradige voorstelling van Drama en de sketch van Rowan Atkinson waarin hij op onnavolgbare wijze aangeeft welke typetjes er voor komen in Shakespeariaanse toneelstukken. Dat was uiteindelijk een stuk fijner dan die hele voorstelling.

‘Tomasso Felius inventi dolum!"

24 June 2010
By on 15:22
Nieuws van het Noorderfront: deel 14

Donderdag 9 november t/m zondag 11 november 2007

 

Deze afgelopen dagen hebben zich een aantal dingen afgespeeld. Geen van alle waren ze erg groot of belangrijk maar samen bepaalden ze mijn humeur voor de afgelopen dagen.

 

·     Bij mijn tweede klas moest ik een leerlinge troosten. Dit meisje was sinds dit jaar begonnen met VWO en dat was misschien ietsje te hoog gegrepen voor deze voormalige HAVO-klante. Op dit moment waren haar cijfers in ieder geval nogal laag, zo stond ze maar liefst een 3,7 voor Frans. Haar docent Frans had haar ook nog eens gezegd dat ze niet hard genoeg werkte terwijl ze zelf zei heel hard te werken en ook in de klas goed haar best te doen. Het resultaat was dat het haar allemaal eventjes teveel werd en ze in tranen uitbarstte. Een jongen stond al bij haar maar dit leek me een job voor Docentman. Ik relativeerde de dingen; ze moest nog wennen aan VWO, haar cijfers waren goed op te halen, voor Nederlands moest ze zich helemaal geen zorgen maken, enzovoorts. Uiteindelijk scheen het haar geholpen te hebben want ze kon al weer glimlachen. (Dit had natuurlijk ook veel te maken met mijn rustige houding en mijn goede woordkeuze) Na haar een hart onder de riem te hebben gestoken schudde ik haar hand. (een gewoonte die ik heb met leerlingen, naar mijn idee geeft het betrokkenheid en vertrouwen aan)

·     Willem liet me weten dat ik meer eigen inbreng moest hebben in mijn lessen en niet simpelweg de richtlijnen volgen die de rest van het team gaf omdat het zo mijn lessen niet waren. Hij had daar gelijk in, natuurlijk. Ik ga het ook doen. Wat helpt is dat het komende blok niet zo krap zit. Rud’s aanmatigende toontje over stagiaires en hun prestaties kort daarop was niet zo erg prettig maar omwille van de vrede besloot ik er niet op te reageren, politiek beest pur sang als ik ben. Ook gaf Willem aan dat de roosters veranderden en dat ik Diederik-Jaap moest mailen daarover omdat ik zijn brugklas overneem. Tot mijn grote genoegen bleek dit weekend uit zijn reactie dat ik nu niet meer om kwart over 8 of zelfs maar 9 uurzal moeten beginnen; Ik draai nu pas vanaf het 5e en 6e uur! Victorie!

·     De informatieve avond bleek gezellig te zijn maar weinig belangstellenden op te leveren. Ik kreeg er slechts eentje, hoewel het erger kan: een tafelgenote van me die docent Scheikunde studeert kreeg helemaal niemand aan haar tafeltje, hoewel dat te verwachten valt als je zo’n gesjeesde opleiding doet. Overigens was het docentschap buiten Rotterdam schijnbaar wel een mannenaangelegenheid want ik was van ons zes docenten de enige man. Ze hadden me alleen beter kunnen positioneren tussen de vrouwen vind ik zelf; nu zat ik aan het eind van de tafel en zat ik naast de engste van het stel, een jongedame met een arrogant hoofd met oogkassen alsof ze alleen een schedel had, en een erg dom uitziend en domme opmerkingen makend vriendje. Beiden kende ik al van gezicht en vielen onder de mensen die ik vermijd op basis van datzelfde gezicht. Nu moest ik noodgedwongen beleefd met hen praten en vragen beantwoorden. Mijn andere tafelgenoten gingen nog wel.

Bertha was er maar Anna had helaas verstek laten gaan. Tot mijn ongenoegen en teleurstelling was ook Froukje niet aanwezig. Dat vond ik vreemd; ik had eigenlijk wel verwacht dat iemand met haar studie (Klassieke Talen) en haar instelling (serieus en ijverig) wel aanwezig zou zijn bij iets als dit. Mijn mensenkennis laat het afweten wanneer mensen zich niet gedragen naar het door mij opgestelde profiel van ze.

Het echte interessante van de avond waren echter mijn voormalige docenten. Mijn voormalige docente Nederlands in de bovenbouw, een licht hysterisch type boekenverslindster die indertijd nogal van mijn capaciteiten gecharmeerd leek te zijn, gaf aan dat ik toch wel bij de beste van mijn jaar had gehoord en dat het haar allerminst verbaasde dat ik nu met succes twee vakken deed en mijn studie zo vlotjes verliep. Mijn docent Economie herkende me eerst niet. Ik kan het hem vergeven want hij heeft me maar een kwartaal les kunnen geven, jammer genoeg voor hem. Naderhand stak hij dit op zijn slecht zijn in namen maar wel goed zijn in gezichten. Ik vond zijn verwarde, zoekende blik toen ik hem gegroet had echter meerzeggend. Ik herinnerde hem eraan dat hij mij, als surrogaatmentor zoals hij toen opgetreden had, me gezegd had dat ik ‘niet uitstelde tot morgen wat ik vandaag achterwege kon laten’ en toen herinnerde hij zich blijkbaar dat ik wel erg relaxed was geweest en nogal lui. Dat was geen nieuws, maar ik zie het graag nog eens bevestigd. Mijn docent Engels die nu geen les meer gaf wist echter het boeiendste te vertellen. Eerder op de avond was hij al enthousiast mijn kant opgekomen maar weggegaan toen bleek dat ik in gesprek was met mijn enige geïnteresseerde die avond. Toen ik hem echter trof op mijn tocht om koffie te halen, raakten we aan de praat en vroeg hij mij hoe mijn stage verliep. Ik gaf aan dat ik wellicht een baan zou kunnen krijgen. “

Daar zou ik dan toch maar eens over nadenken

Dat bracht me van mijn stuk.

“Want”, zei hij “ik zou eerst nog eens contact met de school hier opnemen. Misschien dat wij ook nog wel een plekje hebben voor een docent Geschiedenis en Aardrijkskunde met ervaring met diverse typen scholen en leerlingen, die bovendien ook de cultuur van de leerlingen hier kent doordat hij zelf zo’n leerling is geweest.”

Ik was verbouwereerd en zei: “Ik zal zeker contact opnemen later dit schooljaar, meneer. Bedankt.”

“Dat zou ik zeker doen. Jij kunt beter in Zeeuws-Vlaanderen lesgeven dan in Zuid-Holland, lijkt mij. Ik kan je alleen niks garanderen.”

“Dat snap ik. Met wie zal ik dan contact opnemen?” vroeg ik, aangevend dat ik er wat voor voelde.

“Met mij natuurlijk!” zei de man, schijnbaar vindend dat ik hem een vrij domme vraag stelde. Gelukkig vond hij de opmerking niet dom genoeg om het aanbod in te trekken. Hij zal zich herinnerd hebben hoe goed ik ben. 

·     Lilith was zaterdagnacht uitgeweest naar een cafeetje in een naburig dorp. Nu was dit op zich niet zo bijzonder want Lilith gaat uit wanneer ze kan. Ze vertelde zondag echter dat ze Bop, Lester en Kyle gezien had daar. Ik zie dat als een vorm van verraad. Als ze uit willen gaan dienen ze mij mee te vragen. Het gaat niet eens om het uitgaan zelf; zo bijzonder vind ik dat niet en je komt in Zeeuws-Vlaanderen toch altijd dezelfde gezichten tegen en iedereen kent elkaar waardoor de vijver om uit te vissen niet bijzonder groot is en de vissen elkaar ook waarschuwen. Het gaat om het principe; ze moeten mij meevragen want het is geen gezellige aangelegenheid zonder mij. Ik zal dit onthouden. Ik dacht eraan een hatelijk sms’je te sturen naar Bop maar besloot het uiteindelijk toch niet te doen.

·     Toen ik samen met Anna (ja, het was weer best gezellig hoewel ik het weer niet aandurfde om echt een move te maken. Dit mede doordat ik dacht haar te zien zuchten en haar ogen naar boven bewegen toen ze mij ontwaarde op de boot en doordat ze erg close schijnt te zijn met de beide zussen van Frederik, wat inhoud dat ze waarschijnlijk op de hoogte is van mijn flirterige neigingen) in Roosendaal aankwam en zij richting Maastricht reed in haar aansluitende trein, kwam ik erachter dat de trein naar Rotterdam niet reed omdat er weer eens spoorwerkzaamheden waren, ditmaal bij Lage Zwaluwe. Tussen de veel te talrijke en morrende mensen wachtend op een bus naar Rotterdam Lombardijen praatte ik mee met al die andere ontevreden mensen en trof ik Ielze, de zus van een vriendin van Lilith. Ze is mijn leeftijd en ik heb met haar op de basisschool gezeten. Daarnaast is ze nogal eigenaardig en heeft ze zelfs een wat opmerkelijke stem; laag en vaag. We kennen elkaar eigenlijk vooral van zien en naam en verhalen, maar op een moment als dit ga je met elkaar praten, zoals dat dan gaat. We reisden samen tot aan Rotterdam, toen we eenmaal een bus troffen waar we nog in pasten (en door de enthousiaste massa ingeduwd werden) en praatten over albino’s, het aantal tenen bij paarden en struisvogels, de aan de voorkant opende buidels van kangoeroes en de aan de achterkant openende van koala’s, het keiharde achterwerk van wombats, autowijkend gedrag en tuinplunderingen door egels en de kwestie of vissen kunnen niezen. Ik wist niet dat Ielze zo’n zoologische interesse had. Een leuke verrassing.

·     Mijn oom Reinier is dit weekend overigens vertrokken naar Soedan. Als beroepsmilitair mag hij daarheen op vredesmissie. Verontrustend daarbij is dat hij als observant geen wapens mag dragen in die leeuwenkuil. Zelf doet het hem echter zeer weinig en volgens mijn vader ‘denkt hij dat hij fijn op vakantie gaat naar een tropisch land of zoiets’.

 


By on 15:19
Aanval van het slecht getekende vogelbekdier.

Image1

Weer eengebrekkige reconstructie vandaag. Het prehistorische dier dat ik deze keeronrecht aandoe door het weinig fantastisch af te beelden is het fossielevogelbekdier Obdurodon uit het vroegeMioceen van Riversleigh in Australië. Zoals je kan zien is het me niet bepaaldgelukt om mijn onderwerp deze houding al te sierlijk aan te laten nemen. Om tebeginnen had de snavel naar voren moeten steken en niet naar beneden. Daarnaastverdient de manier waarop ik de schoudergordel en de rug vormgegeven heb nietbepaald de schoonheidsprijs.

Los daarvanstaat echter dat Obdurodon hier welin de setting en houding afgebeeld is die ik voor ogen had toen ik aan dezetekening begon. Het was namelijk mijn bedoeling deze monotreme af te beeldenterwijl hij, in een vrij hoog tempo stel ik me voor, de bosbodem en hetbladerstrooisel van zijn regenwoudbiotoop afzoekt op naar prooidieren.

Wie ietsafweet van de leefwijze van moderne vogelbekdieren weet dat het overwegendwaterbewonende dieren zijn uit meer gematigde streken van Australië. Hetafbeelden van Obdurodon als eenregenwoudbewonende wandelaar lijkt daarom wat vreemdsoortig en misplaatst. Datis het echter niet.

Allereerstwas Riversleigh in het vroege Mioceen inderdaad een regenwoud. Wat dat betreftkent deze tekening weinig artistieke vrijheid (hoewel wel in het type planten).Daar komt bij dat Obdurodon inderdaadeen betere loper lijkt te zijn geweest dan de huidige Ornithorhynchus. Of hij daadwerkelijk zijn voedsel (ook) op hetland zocht is veel minder zeker. De reden dat ik hiervoor gekozen heb, is deklaarblijkelijk nauwe verwantschap tussen vogelbekdieren en de mierenegels(Tachyglossidae). Voor de details, zie de eerdere keer dat ik monotremenbehandelde in één van de posts over zoogdieren die het Krijt overleefden.

Ervanuitgaand dat de vogelbekdieren en mierenegels inderdaad divergeerden geologischkort voordat we Obdurodon tegenkomenals fossiel en mierenegels afstammen van landbewonende vogelbekdieren (offylogenetisch beter: ‘Vogelbekdieren’), leek het me niet bijzonder vreemd om teveronderstellen dat Obdurodon zijnloopvermogens gebruikte om op het land te jagen. En zo stel ik me het hierafgebeelde exemplaar voor: een fervente, altijd hongerige jager die met zijnsnavel poeltjes, modder, bladstrooisel en misschien zelfs rottend houtdoorzoekt naar een variëteit aan kleine prooidieren, zich snel en schommelendvoortbewegend in de semi-spreidstandige houding die maakt dat monotremen zo’neigenaardig gangetje hebben vergeleken met andere zoogdieren.

Mogelijkweet je dat de huidige vogelbekdieren hun prooi vinden met elektro-receptorenin hun snavel, die een zeer gevoelig instrument is. Ze detecteren met gevoeligegroeven en putjes in die snavel de elektrische ontlading die vrijkomt wanneerdieren bewegen en kunnen er ook hun omgeving mee ‘bekijken’. Vogelbekdierensluiten hun ogen en oren af onder water en vertrouwen volledig (en terecht!) ophun snavel om hun weg te vinden. Mierenegels hebben hetzelfde arsenaal in hunsnavel, maar met een vele malen kleiner aantal receptoren. Dit maakt hetvrijwel zeker dat Obdurodon ookdergelijke receptoren had en gebruikte. Waarschijnlijk in veel sterkere matedan mierenegels, die door hun eten van koloniebouwende insecten (in Tachyglossus) of wormen (in Zaglossus) mogelijk minder behoefte aanreceptoren hebben dan in het water jagende vogelbekdieren. Dit kan betekenendat voor Obdurodon de receptorennutteloos waren op het land, of dat hij in tegenstelling tot mierenegels er welzeer actief gebruik van maakte. Dat is zeer waarschijnlijk één van die dingendie we nooit zeker zullen weten. (Overigens zijn de leden van het genus Zaglossus allemaal slecht bekend enweten we niet hoe ze hun snavels precies gebruiken.)

Eventueel ishet je misschien opgevallen dat ik het hier afgebeelde dier handen heb gegevendie niet zulke enorme zwemvliezen hebben als die van Ornithorhynchus en dat het dier ook niet op zijn knokkels loopt. Ikweet niet of er handmateriaal gevonden is van Obdurodon en weet dus niet in hoeverre de hier afgebeelde handenmogelijk of juist onmogelijk zijn. Misschien ook goed om op te merken: Ik hebhet dier niet de giftige spoor aan de achterpoot gegeven die mannelijkeexemplaren van het huidige vogelbekdier hebben. Daarnaast is het ook niet uitte sluiten dat dit bijzondere dier een stekelige vacht had, zoals mierenegels!

Dan alslaatste nog de prooidieren waarnaar Obdurodonzo naarstig zoekt. Als het huidige vogelbekdier een goede indicator is (endat is hij waarschijnlijk) had onze eierleggende gulzigaard het vooral voorzienop waterkreeftjes, wormen, slakken, waterinsecten, visjes en kikkers. Eenvogelbekdier dat in het vroege Mioceen van Riversleigh in de strooisellaag opzoek ging naar prooi zou echter ook allerlei andere prooidieren hebben kunnentegenkomen: spinnen, duizendpoten, miljoenpoten en hagedissen liggen voor dehand, maar wellicht hoorden zelfs buidelmollen (Notoryctidae) tot demogelijkheden. Riversleigh was in ieder geval het thuis van de oudst bekendefossiele leden van deze bijzondere familie. In tegenstelling tot de huidigetwee soorten, die in woestijnzand ‘zwemmen’, zal de Riversleigh-variant datdoor de strooisellaag hebben gedaan.

22 June 2010
By on 10:29
Niet-vliegende vogels.

Kiwi Skeleton

Skelet van een kiwi (Apteryx). Let op de zeer kleine vleugels.

Hetverliezen van het vliegvermogen is niet erg bijzonder voor vogels, lijkt het.Waar de andere vliegende gewervelden, de pterosauriërs en de vleermuizen, voorzover wij weten nooit niet-vliegende vertegenwoordigers hebben gehad, zijn ervan de vogels vele bekend. De bekendste voorbeelden zijn natuurlijk dezogenaamde ratieten of beter gezegd struthioniformen. Dit is de groep vandoorgaans zeer grote loopvogels die in ons vertrouwde Holoceen vertegenwoordigdworden en werden door struisvogels (Struthionidae), nandoes (Rheidae), emoes enkasuarissen (Casuariidae), kiwi (Apterygidae) en de uitgestorven moa(Dinornithidae en Anomalopterygidae) en olifantsvogels (Aepyornithidae).Daarnaast zijn pinguïns (Sphenhiscidae) en de dodo (Raphus cucullatus) ook heel bekende voorbeelden voor de meestemensen. (Overigens lijken de meeste mensen die ik ken van mening te zijn datkippen niet kunnen vliegen; dat is zowel waar als niet waar. Kippen kunnen vannature vliegen maar de meeste tamme exemplaren zijn er te zwaar voor. Dit geldtook voor vrijwel alle tamme kalkoenen en ganzen.)

Naast dezebekende voorbeelden zijn er echter nog vele te noemen. Zo bestaan ertegenwoordig ook nog altijd niet-vliegende eenden, rallen, een papegaai, eenfuut, een aalscholver, steltrallen en de kagoe. Tapaculo’s, kleinebodembewonende zangvogels uit tropisch Amerika zijn mogelijk ook niet totvliegen in staat. Dit is echter maar een zeer armzalig restant van dediversiteit aan niet-vliegende vogels die er aan de start van het Holoceenbestonden. Naast de genoemde soorten waren er onder andere nog meerniet-vliegende papegaaien, futen, duiven, aalscholvers, eenden en ganzen, nogveel meer niet-vliegende rallen en ook nog niet-vliegende hoppen, gorzen,rotswinterkoningen, ibissen, kraanvogels, een alk, grootpoothoenders, eendwergnachtzwaluw, reigers en de mysterieuze aptornithiden en sylviornithiden.Menselijk toedoen heeft al deze soorten uit doen sterven. Ook zonder de menszijn er echter genoeg niet-vliegende vogels verdwenen. De laatste 65 miljoenjaar zag de aarde bijvoorbeeld ook remiornithiden, paleotiden, dromornithiden,gastornithiden, brontornithiden, eremopeziden, plotopteriden, eogruiden,phorusrhaciden, ameghinornithiden, idiornithiden, bathornithiden, enormeslangenhalsvogels en allerlei andere nu uitgestorven niet-vliegers over haaroppervlak rondlopen. In het Krijt waren er ook al niet-vliegende vogels, zoalsde hesperornithiden en patagopterygiden. Waarschijnlijk hebben we, gezien hetal met al gebrekkige beeld van fossiele vogels, daarnaast nog allerleivergelijkbare soorten gehad die vooralsnog niet bekend of op zijn minst nietbeschreven zijn.

Niet-vliegendheidin vogels wordt algemeen geassocieerd met een bestaan zonder carnivorelandzoogdieren. Dit is geen onterechte gedachtegang. Immers, de meesteniet-vliegende vogels evolueerden op eilanden waar predatoren van het harigesoort ontbraken en verdwenen snel toen deze door de mens en in de vorm van demens arriveerden. Toch is dat verre van het hele verhaal. Er zijn namelijk ookvogels die niet kunnen vliegen maar desondanks te midden van allerlei carnivorezoogdieren leven en leefden. Struisvogels hebben in het wild te maken met onderandere luipaarden, leeuwen, cheetahs en hyena’s die wel degelijk in staat zijnom struisvogels te doden en dat ook gewoon doen. In het verleden haddenstruisvogelsoorten ook te kampen met zulke bruten als hyaenodonten,sabeltandkatten, beren en wilde honden. Nandoes evolueerden tussenbuidelroofdieren en overleefden toen placentale roofdieren in Zuid-Amerikaarriveerden. De eogruiden uit het Eoceen, Oligoceen en Mioceen van Azië (enlater Europa) waren dan wel niet-vliegend, maar ze deelden hun leefgebied metsommige van de grootste harige predatoren ooit, zoals de hyaenodont Sarkastodon, bizarre Andrewsarchus en monsterlijkeentelodonten. Het meest aansprekende voorbeeld zijn natuurlijk wel dephorusrhaciden, die zelf tot uiterst efficiënte en indrukwekkende jagers werdenin een wereld vol grote zoogdieren, waaronder grote sterke jagers als dethylacosmiliden.  De laatstephorusrhaciden zoals Titanis hieldenzich zelfs meer dan staande in ecosystemen waar een grote diversiteit aankatachtigen, hondachtigen en beren rondstruinden, -slopen en joegen. Het magduidelijk zijn dat niet-vliegende vogels niet noodzakelijk moeten verdwijnenwaar jagende zoogdieren opduiken of evolueren. 

9780300078619

Hierboven de cover van Feduccia's 'The origin and evolution of birds.' Op de cover staat de uitgestorven dwergnachtzwaluw Aegotheles novaezealandiae.

Niet alletypen vogels verliezen het vliegvermogen even gemakkelijk. Waar het voor metname rallen een koud kunstje lijkt te zijn en dientengevolge tientallen en waarschijnlijkeerder honderden keren gebeurd is, zijn andere soorten veel minder vatbaarervoor, lijkt het. Paradoxaal genoeg zijn het juist de hoenderachtigen, vogelsdie het liefst lopen en normaal gezien alleen uit noodzaak vliegen, die hetvliegvermogen zelden verloren hebben en daar fysiek ook niet eens bijzondergeschikt voor zijn. Dit heeft te maken met het waarschijnlijk normale proceswaarbij vogels het vliegvermogen verliezen (namelijk vianeotenie/paedomorphosis) en hoenderkuikens.

Waar bij demeeste vogels de voor het vliegvermogen benodigde organen (een kiel op hetborstbeen, relatief lange vleugels, slagpennen en zeer krachtige borstspieren)pas tot ontwikkeling komen na het uitkomen, zijn deze bij hoenderachtigen danal sterk ontwikkeld. Jonge hoenderachtigen komen ter wereld op een moment datze al bijna kunnen vliegen. Grootpoothoenders kunnen zelfs al vliegen zo vlugze uit het ei zijn! Dit is nauw verbonden met de explosieve stijl van vliegenvan hoenderachtigen. In plaats van rustig op gang te komen na het opstijgen,zoals de meeste vogels, waarbij het vliegen gemakkelijker gaat wanneer ereenmaal tempo gemaakt is, knallen hoenderachtigen in één keer op volle snelheidweg vanuit dekking. Hierbij duwen ze zichzelf met enorme kracht weg om vervolgensal snel aan vaart te verliezen en op enige afstand te landen. Normaal gezienzet de vogel het na deze landing op een lopen. Deze manier van vliegen is geenteken van slecht kunnen vliegen, zoals vaak aangenomen wordt, maar simpelwegeen andere manier van vliegen dangangbaar. Het is namelijk zo’n beetje de krachtigst denkbare manier vanopstijgen en op zeer korte tijd snelheid maken. Klaarblijkelijk hebben jongehoenders daar al vanaf zeer prille leeftijd behoefte aan, gezien de verontwikkelde staat waarin ze uit het ei kruipen. Waarom heeft dat nou zulkeconsequenties voor het evolueren van niet-vliegendheid?

Paedormorphosishoudt in dat het groeiproces van een dier naar volwassenheid voor sommigeorganen stop wordt gezet, terwijl de rest door ontwikkelt. Dit proces isverantwoordelijk voor salamanders die nooit de kieuwen uit hun larvenstadiumverdienen, voor de bolle menselijke schedel die veel meer lijkt op die van eenjonge chimpansee dan op die van een volwassene en dus ook voor de normale gangvan zaken bij het ontwikkelen van niet-vliegendheid in vogels. Het komt er inprincipe op neer dat de ontwikkeling van de aan vliegen gerelateerde organenstop gezet wordt of afgeremd, waardoor de volwassen vogel uiteindelijkonvolwassen proporties behoudt. Als je het uiterlijk van een dodo vergelijktmet dat van een duivenkuiken, zul je op het eerste gezicht meer overeenkomstenzien tussen de dodo en het kuiken dan tussen het kuiken en de volwassen duif.Beide hebben dezelfde relatief kleine vleugels, de lange poten en de grotesnavel die bij de normaal volwassen geworden duif weggetrokken zijn. Op dezemanier is het dus mogelijk om een vliegende vogel te doen veranderen in eenvogel die nooit zal kunnen vliegen. (Pinguïns en uitgestorven plotopteriden, niet-vliegendealken en slangenhalsvogels zijn uitzonderingen doordat zij sterke vleugels enborstspieren behielden en hun vliegvermogen opofferden aan vergroot duik- enzwemvermogen. Hun vleugels zijn allerminst zwak en paedomorphosis speelde bijhen waarschijnlijk geen rol.)

Dit procesvan paedomorphosis werkt niet bij hoenders. Het behouden van de proporties vaneen kuiken zal voor hen immers inhouden dat ze nog steeds met zeer krachtigevleugels en borstspieren zitten. Zijn er dan nooit niet-vliegende hoenderachtigengeweest? Toch wel. Sylviornis vanNieuw-Caledonië was een bizarre, niet-vliegende hoenderachtige die momenteelhet enige bekende lid van een eigen groep is, de sylviornithiden. Los van deandere eigenaardigheden van deze vogel, waaronder een staart die uit lossewervels bestond in plaats van uit een versmolten stuit, zoals bij andereneornithiden, kon Sylviornis nietvliegen. Dit geldt ook voor enkele recent uitgestorven grootpoothoenders vanNieuw-Caledonië, Fiji en Australië. In hun geval lijkt er echter sprake te zijnvan ‘waar een wil is, is een weg’. Deze vogels waren niet zozeer niet-vliegenddoor paedomorphosis, maar simpelweg door formaat. Ze werden zwaar genoeg omniet meer te kunnen vliegen. Een interessante vraag is dan natuurlijk of ditook gold voor hun kuikens. Deze zullen veel kleiner en lichter geweest zijn,wat de mogelijkheid behelst dat deze vogels op jonge leeftijd konden vliegen endat met het volwassen worden verloren. Een aparte omkering van het normaleproces, als het waar is! (En ik denk dat ik wel eens gelijk zou kunnen hebben.)

Het is nu alheel erg tijd om te stoppen, maar ik kan het interessante fenomeen van deniet-vliegendheid niet laten rusten voordat ik het uiterste voorbeeld ervan hebgenoemd. De moa. Waar er verschillende loopvogels zijn die compleet nuttelozeen uiterst kleine vleugeltjes hebben die normaal gezien onzichtbaar zijn tussende veren (kijk maar eens naar emoes of kiwi), hadden de moa het proces vansteeds verder atrofiëren van hun voorste ledematen tot in het extremedoorgetrokken. Moa bezaten namelijk helemaal geen vleugels meer en zelfs geenschoudergordel. Persoonlijk vind ik dat een heel freaky idee. Het doet mij ook vermoeden dat van alle niet-vliegendevogels uit het Holoceen de moa hun vliegvermogen het langs geleden hebbenverloren. Maar dat is misschien te simpel gedacht: Vogels die nog langergeleden niet-vliegend werden maar nog steeds hun vleugels voor wat voor doeldan ook behielden, zouden natuurlijk nooit vleugelloos zijn geworden. Aangeziende oudste pinguïns bekend zijn uit het late Paleoceen en ze toen ook al nietmeer konden vliegen, is dat iets om rekening mee te houden.  

En nu stopik echt. Ik heb het nog niet eens over zweefvluchten, vleugelknotsen, hetfenomeen van de viervoetige ibis, de tropische bossen vol niet-vliegers van hetPaleoceen en Eoceen, het verlies van het vliegvermogen in ratieten, deonverwacht grote vleugels van nandoes en vliegende kiwi gehad…en toch al bijna1600 woorden gebruikt.

13 June 2010
By on 10:41
De helaasheid van mooie hypotheses.

<!– /* Font Definitions */ @font-face {font-family:Wingdings; panose-1:5 0 0 0 0 0 0 0 0 0; mso-font-charset:2; mso-generic-font-family:auto; mso-font-pitch:variable; mso-font-signature:0 268435456 0 0 -2147483648 0;}@font-face {font-family:"Cambria Math"; panose-1:2 4 5 3 5 4 6 3 2 4; mso-font-charset:1; mso-generic-font-family:roman; mso-font-format:other; mso-font-pitch:variable; mso-font-signature:0 0 0 0 0 0;}@font-face {font-family:Calibri; panose-1:2 15 5 2 2 2 4 3 2 4; mso-font-charset:0; mso-generic-font-family:swiss; mso-font-pitch:variable; mso-font-signature:-520092929 1073786111 9 0 415 0;} /* Style Definitions */ p.MsoNormal, li.MsoNormal, div.MsoNormal {mso-style-unhide:no; mso-style-qformat:yes; mso-style-parent:""; margin-top:0cm; margin-right:0cm; margin-bottom:10.0pt; margin-left:0cm; line-height:115%; mso-pagination:widow-orphan; font-size:11.0pt; font-family:"Calibri","sans-serif"; mso-ascii-font-family:Calibri; mso-ascii-theme-font:minor-latin; mso-fareast-font-family:Calibri; mso-fareast-theme-font:minor-latin; mso-hansi-font-family:Calibri; mso-hansi-theme-font:minor-latin; mso-bidi-font-family:"Times New Roman"; mso-bidi-theme-font:minor-bidi; mso-fareast-language:EN-US;}p.MsoListParagraph, li.MsoListParagraph, div.MsoListParagraph {mso-style-priority:34; mso-style-unhide:no; mso-style-qformat:yes; margin-top:0cm; margin-right:0cm; margin-bottom:10.0pt; margin-left:36.0pt; mso-add-space:auto; line-height:115%; mso-pagination:widow-orphan; font-size:11.0pt; font-family:"Calibri","sans-serif"; mso-ascii-font-family:Calibri; mso-ascii-theme-font:minor-latin; mso-fareast-font-family:Calibri; mso-fareast-theme-font:minor-latin; mso-hansi-font-family:Calibri; mso-hansi-theme-font:minor-latin; mso-bidi-font-family:"Times New Roman"; mso-bidi-theme-font:minor-bidi; mso-fareast-language:EN-US;}p.MsoListParagraphCxSpFirst, li.MsoListParagraphCxSpFirst, div.MsoListParagraphCxSpFirst {mso-style-priority:34; mso-style-unhide:no; mso-style-qformat:yes; mso-style-type:export-only; margin-top:0cm; margin-right:0cm; margin-bottom:0cm; margin-left:36.0pt; margin-bottom:.0001pt; mso-add-space:auto; line-height:115%; mso-pagination:widow-orphan; font-size:11.0pt; font-family:"Calibri","sans-serif"; mso-ascii-font-family:Calibri; mso-ascii-theme-font:minor-latin; mso-fareast-font-family:Calibri; mso-fareast-theme-font:minor-latin; mso-hansi-font-family:Calibri; mso-hansi-theme-font:minor-latin; mso-bidi-font-family:"Times New Roman"; mso-bidi-theme-font:minor-bidi; mso-fareast-language:EN-US;}p.MsoListParagraphCxSpMiddle, li.MsoListParagraphCxSpMiddle, div.MsoListParagraphCxSpMiddle {mso-style-priority:34; mso-style-unhide:no; mso-style-qformat:yes; mso-style-type:export-only; margin-top:0cm; margin-right:0cm; margin-bottom:0cm; margin-left:36.0pt; margin-bottom:.0001pt; mso-add-space:auto; line-height:115%; mso-pagination:widow-orphan; font-size:11.0pt; font-family:"Calibri","sans-serif"; mso-ascii-font-family:Calibri; mso-ascii-theme-font:minor-latin; mso-fareast-font-family:Calibri; mso-fareast-theme-font:minor-latin; mso-hansi-font-family:Calibri; mso-hansi-theme-font:minor-latin; mso-bidi-font-family:"Times New Roman"; mso-bidi-theme-font:minor-bidi; mso-fareast-language:EN-US;}p.MsoListParagraphCxSpLast, li.MsoListParagraphCxSpLast, div.MsoListParagraphCxSpLast {mso-style-priority:34; mso-style-unhide:no; mso-style-qformat:yes; mso-style-type:export-only; margin-top:0cm; margin-right:0cm; margin-bottom:10.0pt; margin-left:36.0pt; mso-add-space:auto; line-height:115%; mso-pagination:widow-orphan; font-size:11.0pt; font-family:"Calibri","sans-serif"; mso-ascii-font-family:Calibri; mso-ascii-theme-font:minor-latin; mso-fareast-font-family:Calibri; mso-fareast-theme-font:minor-latin; mso-hansi-font-family:Calibri; mso-hansi-theme-font:minor-latin; mso-bidi-font-family:"Times New Roman"; mso-bidi-theme-font:minor-bidi; mso-fareast-language:EN-US;}.MsoChpDefault {mso-style-type:export-only; mso-default-props:yes; mso-ascii-font-family:Calibri; mso-ascii-theme-font:minor-latin; mso-fareast-font-family:Calibri; mso-fareast-theme-font:minor-latin; mso-hansi-font-family:Calibri; mso-hansi-theme-font:minor-latin; mso-bidi-font-family:"Times New Roman"; mso-bidi-theme-font:minor-bidi; mso-fareast-language:EN-US;}.MsoPapDefault {mso-style-type:export-only; margin-bottom:10.0pt; line-height:115%;}@page Section1 {size:595.3pt 841.9pt; margin:70.85pt 70.85pt 70.85pt 70.85pt; mso-header-margin:35.4pt; mso-footer-margin:35.4pt; mso-paper-source:0;}div.Section1 {page:Section1;} /* List Definitions */ @list l0 {mso-list-id:1990359530; mso-list-type:hybrid; mso-list-template-ids:-1424859742 68354049 68354051 68354053 68354049 68354051 68354053 68354049 68354051 68354053;}@list l0:level1 {mso-level-number-format:bullet; mso-level-text:ï‚·; mso-level-tab-stop:none; mso-level-number-position:left; text-indent:-18.0pt; font-family:Symbol;}ol {margin-bottom:0cm;}ul {margin-bottom:0cm;}–>

Ik haat de uitspraak ‘te mooi om waar te zijn’. Ik weet niethoe dat komt, maar het is misschien de naïefheid van de voorgaandeverwachtingen die het suggereert of anders het feit dat één van de reclamesvoorafgaand aan een Disney-film Assepoester met een verschrikkelijk oubolligstemmetje deze uitspraak liet doen. Hoe dan ook, ik vind het een vervelendeuitspraak. Voor deze post had ik het echter als titel gebruikt als ik er nietzo’n hekel aan had gehad. De zin gaat namelijk helemaal op voor de inhoud. Ikwil namelijk kort (maar we zullen zien hoe kort ik het daadwerkelijk kan maken)ingaan op een aantal in het verleden geopperde verwantschappen tussendiergroepen waarvan tegenwoordig (en soms al meteen) wordt gedacht dat ze nogalonwaarschijnlijk zijn. Hier gaan we:

· Volitantia: Dit was een clade bestaand uit de vliegende maki’s (Dermoptera) enerzijds en devleermuizen (Chiroptera) anderzijds. Een prachtige groep die het ontstaan vanhet vliegvermogen bij zoogdieren goed had kunnen demonstreren door middel vanbijna vliegende zoogdieren en echt vliegende zoogdieren. Helaas, vliegendemaki’s worden tegenwoordig gezien als de nauwste levende verwanten van primatenterwijl vleermuizen waarschijnlijk het meest verwant zijn aan een clade bestaanduit onevenhoevigen (Perissodactyla) en de Ferae (Roofdieren (Carnivora) enschubdieren (Pholidota).

· Corvidae sensuSibley & Monroe: Een monsterlijke familie van zangvogels, bestaand uitsommige van de coolste zangvogels van allemaal zoals de kraaiachtigen, deparadijsvogels, de klauwieren, de drongo’s, de sitella’s, de vanga’s en tallozeandere. De overkoepelende groep Corvida was van een vergelijkbare coolheidaangezien liervogels, prieelvogels, kaalkopkraaien en andere aparte zangvogelser eveneens bijgehaald werden. Tegenwoordig worden al deze zangvogels nietgezien als een clade, maar uit diverse clades van basale zangvogels. Sommigezijn daadwerkelijk heel basaal, andere zijn hoogstens basale leden van de welbestaande tegenvoeter van Corvida, de Passerida. Reken tot die laatste groepalle mezen, zangers, vinken, zwaluwen, leeuweriken, piepers, lijsters,spreeuwen, pestvogels en al die andere ‘hogere hogere zangvogels’. En datlaatste is geen typefout, zoek Passeri en Tyranni maar op.

· Pisces: Hoe mooi was het geweest als al diedieren die wij zien en benoemen als vissen, variërend van walvishaaien totzeeprikken tot guppies daadwerkelijk één fantastische, ordelijke en natuurlijkegroep vormden? Helaas, niks van dat alles. De ‘vissen’ bestaan uit een aantalgroepen van gewervelden. En om mogelijke angst- of walgingsgevoelens op tewekken; cladistisch gezien behoren wij als zoogdieren en tetrapoden ook tot dekwastvinnige vissen!

· Haematothermia: Een clade bestaand zoogdieren envogels. Deze nooit echt serieus genomen hypothese veronderstelde dat dewarmbloedige (voor wat die term waard is) tetrapoden nauwer aan elkaar verwantwaren dan aan niet-warmbloedige. Het veronderstelt dus ook dat vogels nauwerverwant waren aan zoogdieren dan aan krokodillen of zelfs maar hagedissen ofschildpadden. In de praktijk bestaat er natuurlijk wel een clade bestaand uitde laatste gemeenschappelijke voorouder van vogels en zoogdieren, maar dit isAmniota zelf doordat zoogdieren behoren tot de eerste afscheiding binnen dezeclade, de Synapsida. Haematothermia zou dus een synoniem zijn van Amniota en isdaarom hoe dan ook waardeloos als naam.

· Gruiformes: Deze ‘orde’ van vogels was eentaxonomisch toevluchtsoord voor diverse veelal kleine vogelfamilies die nietmakkelijk ergens anders geplaatst konden worden. Gruiformes sensu stricto (dus in deoorspronkelijke, algemeen bekende vorm) wordt tegenwoordig ook nog vaak in dievorm gehanteerd in bijvoorbeeld vogelgidsen maar ook op Wikipedia.Waarschijnlijk zal dat zo blijven totdat er eindelijk een duidelijk beeld vande verwantschappen van de moderne vogelgroepen gedestilleerd raakt uit alleelkaar tegensprekende onderzoeken. Een kern-Gruiformes bestaand uit de Grues(kraanvogels, koerlan en trompetvogels) enerzijds en de Ralli (rallen enfuutkoeten) anderzijds heeft een redelijke kans op overleven, maar traditioneleleden van de orde zoals seriema’s, de kagoe en de trappen zullen ergens anders terecht komen. Overigensis het wel al gangbaar dat de vechtkwartels en de trapvechtkwartelondergebracht worden in de grote en diverse maar echt bestaandeCharadriiformes.

· Pongidae: Het was zo overzichtelijk en duidelijk  : alle mensapen in één familie ende mensen en mensachtigen in een andere familie Hominidae. DNA-onderzoeken enfossielen hebben zonneklaar gemaakt dat mensen en mensachtigen genesteld zittenin de groep van de mensapen en geen zustergroep ervan vormen. Einde Pongidae,begin uitgebreide familie Hominidae.

En dat waren er zo even een paar. Ik vind dat ik me redelijkgehouden heb aan mijn plan om niet te veel uit te wijden.

18 May 2010
By on 11:33
CD-Bespreking: 2001

<!– /* Font Definitions */ @font-face {font-family:"Cambria Math"; panose-1:2 4 5 3 5 4 6 3 2 4; mso-font-charset:1; mso-generic-font-family:roman; mso-font-format:other; mso-font-pitch:variable; mso-font-signature:0 0 0 0 0 0;}@font-face {font-family:Calibri; panose-1:2 15 5 2 2 2 4 3 2 4; mso-font-charset:0; mso-generic-font-family:swiss; mso-font-pitch:variable; mso-font-signature:-520092929 1073786111 9 0 415 0;} /* Style Definitions */ p.MsoNormal, li.MsoNormal, div.MsoNormal {mso-style-unhide:no; mso-style-qformat:yes; mso-style-parent:""; margin-top:0cm; margin-right:0cm; margin-bottom:10.0pt; margin-left:0cm; line-height:115%; mso-pagination:widow-orphan; font-size:11.0pt; font-family:"Calibri","sans-serif"; mso-ascii-font-family:Calibri; mso-ascii-theme-font:minor-latin; mso-fareast-font-family:Calibri; mso-fareast-theme-font:minor-latin; mso-hansi-font-family:Calibri; mso-hansi-theme-font:minor-latin; mso-bidi-font-family:"Times New Roman"; mso-bidi-theme-font:minor-bidi; mso-fareast-language:EN-US;}p.MsoListParagraph, li.MsoListParagraph, div.MsoListParagraph {mso-style-priority:34; mso-style-unhide:no; mso-style-qformat:yes; margin-top:0cm; margin-right:0cm; margin-bottom:10.0pt; margin-left:36.0pt; mso-add-space:auto; line-height:115%; mso-pagination:widow-orphan; font-size:11.0pt; font-family:"Calibri","sans-serif"; mso-ascii-font-family:Calibri; mso-ascii-theme-font:minor-latin; mso-fareast-font-family:Calibri; mso-fareast-theme-font:minor-latin; mso-hansi-font-family:Calibri; mso-hansi-theme-font:minor-latin; mso-bidi-font-family:"Times New Roman"; mso-bidi-theme-font:minor-bidi; mso-fareast-language:EN-US;}p.MsoListParagraphCxSpFirst, li.MsoListParagraphCxSpFirst, div.MsoListParagraphCxSpFirst {mso-style-priority:34; mso-style-unhide:no; mso-style-qformat:yes; mso-style-type:export-only; margin-top:0cm; margin-right:0cm; margin-bottom:0cm; margin-left:36.0pt; margin-bottom:.0001pt; mso-add-space:auto; line-height:115%; mso-pagination:widow-orphan; font-size:11.0pt; font-family:"Calibri","sans-serif"; mso-ascii-font-family:Calibri; mso-ascii-theme-font:minor-latin; mso-fareast-font-family:Calibri; mso-fareast-theme-font:minor-latin; mso-hansi-font-family:Calibri; mso-hansi-theme-font:minor-latin; mso-bidi-font-family:"Times New Roman"; mso-bidi-theme-font:minor-bidi; mso-fareast-language:EN-US;}p.MsoListParagraphCxSpMiddle, li.MsoListParagraphCxSpMiddle, div.MsoListParagraphCxSpMiddle {mso-style-priority:34; mso-style-unhide:no; mso-style-qformat:yes; mso-style-type:export-only; margin-top:0cm; margin-right:0cm; margin-bottom:0cm; margin-left:36.0pt; margin-bottom:.0001pt; mso-add-space:auto; line-height:115%; mso-pagination:widow-orphan; font-size:11.0pt; font-family:"Calibri","sans-serif"; mso-ascii-font-family:Calibri; mso-ascii-theme-font:minor-latin; mso-fareast-font-family:Calibri; mso-fareast-theme-font:minor-latin; mso-hansi-font-family:Calibri; mso-hansi-theme-font:minor-latin; mso-bidi-font-family:"Times New Roman"; mso-bidi-theme-font:minor-bidi; mso-fareast-language:EN-US;}p.MsoListParagraphCxSpLast, li.MsoListParagraphCxSpLast, div.MsoListParagraphCxSpLast {mso-style-priority:34; mso-style-unhide:no; mso-style-qformat:yes; mso-style-type:export-only; margin-top:0cm; margin-right:0cm; margin-bottom:10.0pt; margin-left:36.0pt; mso-add-space:auto; line-height:115%; mso-pagination:widow-orphan; font-size:11.0pt; font-family:"Calibri","sans-serif"; mso-ascii-font-family:Calibri; mso-ascii-theme-font:minor-latin; mso-fareast-font-family:Calibri; mso-fareast-theme-font:minor-latin; mso-hansi-font-family:Calibri; mso-hansi-theme-font:minor-latin; mso-bidi-font-family:"Times New Roman"; mso-bidi-theme-font:minor-bidi; mso-fareast-language:EN-US;}.MsoChpDefault {mso-style-type:export-only; mso-default-props:yes; mso-ascii-font-family:Calibri; mso-ascii-theme-font:minor-latin; mso-fareast-font-family:Calibri; mso-fareast-theme-font:minor-latin; mso-hansi-font-family:Calibri; mso-hansi-theme-font:minor-latin; mso-bidi-font-family:"Times New Roman"; mso-bidi-theme-font:minor-bidi; mso-fareast-language:EN-US;}.MsoPapDefault {mso-style-type:export-only; margin-bottom:10.0pt; line-height:115%;}@page Section1 {size:612.0pt 792.0pt; margin:70.85pt 70.85pt 70.85pt 70.85pt; mso-header-margin:35.4pt; mso-footer-margin:35.4pt; mso-paper-source:0;}div.Section1 {page:Section1;} /* List Definitions */ @list l0 {mso-list-id:108470932; mso-list-type:hybrid; mso-list-template-ids:-743940968 68354063 68354073 68354075 68354063 68354073 68354075 68354063 68354073 68354075;}@list l0:level1 {mso-level-tab-stop:none; mso-level-number-position:left; text-indent:-18.0pt;}ol {margin-bottom:0cm;}ul {margin-bottom:0cm;}–>

1. Lolo (Intro) (Tray Deee, Xzibit & Kurupt)

2. The Watcher (ft Eminem & Knoc-Turn’Al)

3. Fuck You (ft Devin the Dude & Snoop Dogg)

4. Still D.R.E. (ft  Snoop Dogg)

5. Big Egos (ft Hittman)

6. Xxplosive (Hittman, Kurupt, Nate Dogg &Six-Two)

7. What’s The Difference?* (ft Xzibit, Eminem &Phish)

8. Bar One (Interlude) (ft Traci Nelson & MissRoq)

9. Light Speed (ft Hittman)

10. Forgot About Dre (ft Eminem)

11. The Next Episode (ft Snoop Dogg, Kurupt &Nate Dogg)

12. Let’s Get High (ft Hittman, Kurupt & MissRoq)

13. Bitch Ass Niggaz (ft Snoop Dogg, Six-Two &Hittman)

14. The Car Bomb (Interlude) (MelMan & Miss Roq)

15. Murder Inc. (Miss Roq & Hittman)

16. Ed-Ucation (Interlude) (Eddie Griffin)

17. Some L.A. Niggaz (MC Ren, Time Bomb, King Tee,Xzibit, Hittman, DeFari, Knoc-Turn’Al & Kokane)

18. Pause 4 Porno (Interlude) (Jake Steed)

19. Ackrite (Hittman)

20. Housewife (Remix) (ft Kurupt &Hittman)/Glass (Interlude) (The D.O.C. & Lil’ ½ Dead)

21. Bang Bang (ft Hittman & Knoc-Turn’Al)

22. The Message (ft Mary J. Blige & Rell)

*Ik heb ook de originele versie,met Hittman in plaats van Xzibit.

Producers: Dr. Dre & MelMan (1 t/m 21) & Lord Finesse (22).  

In de jaren 1996 tot 1999 was Dr. Dre’s reputatie enrelevantie voor hiphop twijfelachtig geworden. Zijn grote successen enbaanbrekende producties waren midden jaren ’90 tot een eind gekomen en het werkvan de afgelopen jaren was van beperkt succes geweest, zowel commercieel alsartistiek. Zoals ik al eerder gezegd heb kan ik Dre’s productiewerk uit dezeperiode erg waarderen, maar de meeste critici zijn het niet met me eens. Dr. Dre presents…The Aftermath wasteleurstellend geweest, The Firm wasgeflopt en King Tee’s Thy Kingdom Come zelfs niet uitgebrachtvanwege matige kritieken in The Source.Zo waren de jaren 1996 en 1997geëindigd. 1998 was nog teleurstellender. In dat hele jaar was er slechts éénwerk van Dre’s hand uitgebracht en dat was het nummer ‘Zoom’ met LL Cool J.(Dat nummer heeft trouwens een heel interessante en ingewikkelde geschiedenisen ontwikkeling doorgemaakt, maar dat terzijde). Ongerust makend als datminimale aantal titels in 1998 misschien was, de kwaliteit van dit nummer zoude fans en de critici duidelijk hebben moeten maken dat Dr. Dre zijn visie enzijn vermogens nog lang niet kwijt was. Maar, de twijfel kon natuurlijk nietweggenomen worden door één nummer. Daarvoor was meer nodig en de eerste stap indie richting was Eminems debuutalbum op Aftermath, The Slim Shady LP. Zonder op dit album vooruit te willen lopen,aangezien ik het nog moet bespreken: Het maakte duidelijk dat Dr. Dre weldegelijk relevant was.

In diezelfde periode dat er gewerkt werd aan Eminems groteentree in de wereld, werd Dr. Dre’s rentree voorbereid. ‘Chronic 2000’ was dewerktitel van Dr. Dre’s comeback-album, maar obstructie van Suge Knight doormiddel van rechtszaken omdat hij de titel ‘Chronic’ bezat en het haastiguitbrengen van zijn eigen compilatie Chronic2000 maakte dat er uiteindelijk gesettled moest worden voor de titel 2001. Misschien des te beter, want 2000is zeker achteraf bekeken een clichématige titel. Is er iemand anders diehierbij moet denken aan hoe Eru Illuvátar in The Silmarillion zijn opstandige ‘aartsengel’ Melkor over diensrebellie vertelt dat ‘everything thou dost to mar The Music of the Ainur willonly be incorporated into its fabric and serve to greaten its glory.”? Ik welin ieder geval, ook al geloof ik niet in predestinatie.

Hoe dan ook, de vraag rond 2001 was voor Dr. Dre denk ik niet echt de naam als wat het noueigenlijk moest worden. Moest het een album worden dat naar de toekomst kijkten vooral nieuwe artiesten introduceert? Moest het een album worden dat op hetverleden gericht is en vooral bestaat uit artiesten die vroeger met Dr. Dregewerkt hadden? Moest de productie retro zijn of juist futuristisch?

Uiteindelijk werd er besloten (of groeide er) een album datal deze dingen doet. Nieuwe artiesten werden geïntroduceerd, zoals Miss Roq,Knoc-Turn’Al , Six-Two en bovenal Hittman en tegelijkertijd was het een feestvan herkenning en nostalgie doordat Snoop Dogg, Kurupt, Nate Dogg en ook de watoudere nieuweling Eminem aanwezig waren. In het geval van het nummer ‘Some LANiggaz’ ging de combinatie van retro en novo wellicht het verst. Hier werdennieuwelingen Hittman en Knoc-Turn’Al gecombineerd met bekenden MC Ren, KingTee, Kokane en Xzibit plus niet echt aan Dre’s toekomst of verleden gelieerdeartiesten Time Bomb en DeFari. Opvallend is overigens wel dat Dr. Dre zelfweinig futuristisch is in zijn teksten; na het meer volwassen experiment vanvroege Aftermath-teksten is hij terug bij het criminele af en wanneer hij nietrapt over geweld, wapens en vulgaire seks reflecteert hij op het verleden. Hetnummer ‘The Watcher’ is hier eigenlijk wel het beste voorbeeld van:

“Things these daysjust ain’t the same for gangsters,

Times are changing,your niggaz is aging..”

Over de beats kan een zelfde verhaal verteld worden als overde gastenlijst. De sound was nieuw en tegelijkertijd doordrenkt van dewestcoast-sound zoals het al bestond. Een huzarenstukje dat in de daaropvolgende jaren door talloze producers geïmiteerd zou worden of hen op zijnminst zou inspireren. Dr. Dre was na dit album weer helemaal relevant en kon metrecht in de daarop volgende jaren nauwelijks andere teksten hanteren dan ‘Ikben al X jaren in deze industrie, ik ben de beste, lik mijn voeten en heb hetlef niet aan me te twijfelen’. (Interessant is trouwens dat er de laatste jarenmet het almaar uitblijven van het ondertussen haast mythische Detox genoeg mensen zijn die weldegelijk aan hem twijfelen, we zullen zien of hij opnieuw deze critici de mondzal kunnen snoeren.)

Maar wat vind ik nu persoonlijk van dit album? Ik ben vanmening dat de reputatie van 2001verdiend is, maar dat het verre van een meesterwerk is. Mijn eerste bezwaarzijn de te talrijke skits. Skits zijn doorgaans een slecht idee, omdat ze vaakal in de eerste plaats niet leuk zijn en het anders zeker na meerdere kerenluisteren niet meer zijn. Wat Dr. Dre dan ook bezielde om maar liefst vierskits op dit album te plaatsen is mij een raadsel (en dan tel ik gesprokenstukjes voor of na nummers nog niet eens mee!) Daarnaast denk ik dat het eenmisstap was om Hittman zoveel ruimte te geven op dit album. Hij is een capabelemaar geen uitmuntende rapper en zijn commerciële potentie was zeer klein. (Hetis dan ook tekenend dat niet één van zijn gastoptredens op single uitkwam.(hoewel hij wel een outro kreeg op de videoversie van ‘Forgot About Dre’.))Hittmans latere wegzakken in de obscuriteit was dan ook te voorspellen. Verder vind ik dat enkele nummers op zichgoed zijn, maar niet zo goed als de rest en daardoor de kwaliteit van het albumals geheel omlaag halen. Hierbij denk ik vooral aan ‘Ackrite’ en ‘Let’s GetHigh’.

Een laatste maar puur persoonlijk en uiteindelijk irrelevantbezwaar is voor mij de afwezigheid van een aantal artiesten uit Dr. Dre’sverleden. RBX, Lady of Rage, Ice Cube,R.C.,  Jewell, CPO, Warren G en Daz ontbreken.  Dat Daz er niet is had alles te maken met zijnverbale agressie tegen Dr. Dre in de voorgaande jaren maar de rest…ik vind hetjammer. Zoals ik echter al zei, dit is een irrelevant bezwaar. Het album staatook zonder hen als een huis.

17 May 2010
By on 13:55
Een reisje naar Polen

<!– /* Font Definitions */ @font-face {font-family:"Cambria Math"; panose-1:2 4 5 3 5 4 6 3 2 4; mso-font-charset:1; mso-generic-font-family:roman; mso-font-format:other; mso-font-pitch:variable; mso-font-signature:0 0 0 0 0 0;}@font-face {font-family:Calibri; panose-1:2 15 5 2 2 2 4 3 2 4; mso-font-charset:0; mso-generic-font-family:swiss; mso-font-pitch:variable; mso-font-signature:-520092929 1073786111 9 0 415 0;} /* Style Definitions */ p.MsoNormal, li.MsoNormal, div.MsoNormal {mso-style-unhide:no; mso-style-qformat:yes; mso-style-parent:""; margin:0cm; margin-bottom:.0001pt; mso-pagination:none; mso-layout-grid-align:none; punctuation-wrap:simple; text-autospace:none; font-size:10.0pt; font-family:"Times New Roman","serif"; mso-fareast-font-family:"Times New Roman"; mso-fareast-theme-font:minor-fareast; mso-font-kerning:14.0pt;}.MsoChpDefault {mso-style-type:export-only; mso-default-props:yes; mso-ascii-font-family:Calibri; mso-ascii-theme-font:minor-latin; mso-fareast-font-family:"Times New Roman"; mso-fareast-theme-font:minor-fareast; mso-hansi-font-family:Calibri; mso-hansi-theme-font:minor-latin; mso-bidi-font-family:"Times New Roman"; mso-bidi-theme-font:minor-bidi;}.MsoPapDefault {mso-style-type:export-only; margin-bottom:10.0pt; line-height:115%;}@page Section1 {size:594.95pt 841.85pt; margin:72.0pt 89.85pt 72.0pt 89.85pt; mso-header-margin:36.0pt; mso-footer-margin:43.2pt; mso-page-numbers:1; mso-paper-source:0;}div.Section1 {page:Section1;}–>

De afgelopen weken zijn uitermate stil geweest opGarrulus. Er was geen Nieuws van het Noorderfront, geen nieuw artikelover ergernissen van mij, geen cd-bespreking en ook geen paleontologie oftaxonomie. Zoals dat gaat met hobby’s (en dit blog is er zeker één) raken ze opde achtergrond wanneer er verplichtingen zijn waaraan voldaan moet worden. Enverplichtingen waren er genoeg de afgelopen tijd. Zo hing er de spanning in delucht van of ik wel of niet een vaste aanstelling zou krijgen op mijn werk, moestik eveneens voor mijn werk een excursie regelen waar ik eigenlijk wat laat meeop pad was en ben ik met studenten en een docent van de opleiding LeraarAardrijkskunde die ik niet zo fanatiek volg als dat ik eigenlijk zou moeten opexcursie geweest naar Polen. Verder waren er nog de gebruikelijkebeslommeringen van het dagelijks leven die energie vraten, aandacht opeisten enin de weg liepen. En zo geschiedde het dat Garrulus enkele weken inactief wasen ik mezelf daarvoor nu moet schamen. Nu ik mijn excuses gemaakt heb, ga ikhet hebben over mijn bevindingen over het land Polen.

 

Ons bezoek duurde zeven dagen en vond grotendeelsplaats in de streek in de buurt van Malbork, dat zo’n 50 kilometer ten zuidenvan Gdansk ligt. Dit betekende dat we in een overwegend vlak gebied waren,gevormd door rivierafzettingen, verlanding en inpoldering. Opvallend was dathet dorp Tzcew waar ons hotel was, beduidend hoger lag en precies op de grenstussen het platte noorden en het meer heuvelachtige midden van Polen ligt. Hetper brug oversteken van de Wiesla bracht je zo van het ene in het anderelandschaptype.

Als mijn bezoek me één ding duidelijk heeft gemaakt,is het dat mijn veronderstelling van hoe Polen er uit zou zien slechtgefundeerd bleek. Waar ik volop Oostblokflats, armoedige en ontevreden mensenen veel bos verwachtte, werd ik verrast door vaak uitbundig geverfde huizen(groen, geel, blauw en oranje waren vrij normale kleuren en zelfs paars kwamvoor!), een tevreden maar afstandelijke bevolking en akkerland. Heel veelakkerland. Extreem veel akkerland. Dat Polen overwegend een agrarisch land iswerd me erg duidelijk. In die zin deed het landschap me sterk denken aan mijnthuisstreek West Zeeuws-Vlaanderen, zij het dat de schaal in Polen vaak groterwas. Ik vermoed dat de akkers in Polen gemiddeld twee a drie keer zo grootwaren. Dat er op het platteland wel degelijk armoede was, was overigens welduidelijk. De nieuwere en goed uitziende huizen staken schril af tussen deoude, vaak vervallen schuren en hoven en zelfs flatjes die nog altijd dikgezaaid waren. Volgens mijn docent laten Polen oude gebouwen simpelwegvervallen en instorten; ik weet niet zeker of dat waar is maar vele gebouwenwekten wel die indruk.

Dscf0524

Hoogtepunt van mijn bezoek aan Polen, in ieder gevalgevoelsmatig, was dat we tot vlakbij de grens met de Russische exclaveKalinigrad zijn geraakt. Deze streek, die ik uit eerbied voor het verledenmisschien beter Königsberg kan noemen, is dat kleine stukje Rusland dat aan deOostzee grenst en ingeklemd zit tussen Litouwen en Polen. Dit oorspronkelijkPruisische gebied behoorde nog tot na de Tweede Wereldoorlog officieel toe aanDuitsland, waarna het geannexeerd werd door Rusland. Er zijn strategische enwaarschijnlijk ook emotionele belangen in het spel voor Moskou, hoewel ik hetzelf leuker zou vinden als puur toeval of gebrek aan interesse van andereOost-Europese landen er verantwoordelijk voor is. Het strategische belang vande exclave ligt hem in dat het een ijsvrije Oostzeehaven is. Het gebied is danook van groot belang voor de Russische vloot.

Hoe dan ook, we kwamen tot op zo’n twee kilometerafstand van de grens met dit bijzondere stukje Europa. Ik had het graag echtgezien maar slagbomen maakten duidelijk dat het niet de bedoeling was dat bezoekersvan het gebied te nieuwsgierig werden. Hoe dan ook ben ik dichtbij Ruslandgeweest en dat is ook al bijzonder. Het heeft voor mij duidelijk gemaakt datRusland een bijzondere status heeft in de belevingswereld van deWest-Europeaan. Maar dat is misschien een verhaal voor een andere keer.

 

De Noord-Polen zijn van oudsher akkerbouwers. Koeienheb ik slechts enkele keren ergens in de wei zien staan. Paarden stonden ookslechts hier en daar. Slechts één keer heb ik een geit gezien en schapen envarkens ontbraken geheel. Ongetwijfeld heeft dit te maken met de rijke grond inhet gebied, die maakt dat akkerbouw veel lucratiever is dan veeteelt.

Pluimvee was er daarentegen genoeg. ‘In de buiten’ hadvrijwel elk huis eigen kippen en ook muskuseenden werden regelmatig gehouden.Tot twee keer toe zag ik ook hoe parelhoenders gehouden werden. De manierwaarop deze vogels allemaal gehouden werden kwam op mij ouderwets over. Allesscharrelde namelijk rond in en rondom de tuinen of erfjes waar het gehoudenwerd. Hoewel ik er vrij zeker van ben dat deze dieren geen collectief bezitwaren van de inwoners van de dorpjes, mocht alles klaarblijkelijk vrijrondlopen.

Dit gold ook voor de honden. Overal liepen honden. Demeeste daarvan verbleven al dan niet aan de ketting op erven, maar er waren ookloslopende exemplaren rondom de huizen. Waar je misschien zou verwachten datdit resulteert in vrij uniform uitziende honden doordat je zou verwachten datze zich ook met elkaar vermengen, was dat niet het geval. De honden waren zo tezien allemaal vuilnisbakken, maar leken wel degelijk op rashonden. Zo zag ikbijvoorbeeld honden die me sterk deden denken aan keeshonden, Duitse herders,Dobermanns, poedels, teckels en zelfs eentje die zeer sterk op een Hongaarsepumi leek! Verder waren vooral de ‘teckels’ opvallend. Deze hadden allemaalextreem kromme voorpoten die eruit zagen alsof ze eens gebroken waren geweestter hoogte van de bovenarm. Ik heb geen idee of dit iets genetisch is, maar hetkwam bij diverse honden in diverse dorpen voor. Als iemand me er iets meer overweet te vertellen dan lees ik dat graag!

 

Dan nu de wilde dieren. Ondanks dat ik vooralakkerland gezien heb en er bij de grens met Kalinin en ten zuiden van Tzcewvrijwel alleen aangeplant dennenbos was, dat klaarblijkelijk gebruikt werd alsproductiebos dienst deed, kan ik wel degelijk een aantal nieuwe soortentoevoegen aan mijn lijstje van dieren die ik in het wild gezien heb.

Zo zag ik een wild zwijn wegrennen en heb ik ook ravenen bonte kraaien gezien. Beide soorten komen overigens ook in Nederland voor,maar daar ben ik ze nog nooit tegengekomen. Aangezien de raaf bij ons slechtsplaatselijk voorkomt en in kleine aantallen en de bonte kraai slechts alssteeds schaarser wordende wintergast is het ook niet zo vreemd dat ik voor henhelemaal naar Polen moest. Beide soorten waren, net zoals andere kraaiachtigen(Roeken en kauwen waren algemeen, eksters schaarser en gaaien heb ik slechtstweemaal gezien.) aan de schuwe kant.

Andere nieuwe soorten voor mij waren de muurhagedis(gevangen en weer losgelaten!) en de gekraagde roodstaart. Daarnaast heb ik ooknog, naar ik vermoed, een mierenkoningin gevangen die op dat moment juist bezigwas zichzelf in te graven. Ik krijg als het goed is snel van een medestudentfoto’s waarop dit insect in mijn handen te zien is. We stonden allemaalversteld van het formaat van dit beestje. Ik vermoed dat het, inclusief hetzeer dikke en weke achterlijf, een lengte van zo’n 10 cm had. Opvallend was datzowel de poten als de voelsprieten aan een kralenketting deden denken door desegmenten waaruit ze bestonden. Het insect had verder een zeer donkerblauwvoorlichaam, paarsige poten en prominente kaken. Kan iemand me helpen met eenidentificatie? Ik heb zelf geen verstand van insecten.

Dscf0534

Ik kreeg sterk de indruk dat er volop gejaagd wordt ophet Poolse platteland en de schuwheid van de kraaiachtigen was een belangrijkereden daarvoor. De relatieve zeldzaamheid van wilde eend en grauwe gans leekdaar ook op te wijzen. Hun zeldzaamheid vond ik uitermate opmerkelijk. Waar bijons in Nederland kleine binnenwateren grote aantallen van deze watervogelsherbergen, ontbraken ze in Polen vrijwel geheel. Nog veel opmerkelijker vond ikdat de meerkoet, toch één van Nederlands meest talrijke en zichtbare watervogelszelfs helemaal afwezig leek te zijn. Weet iemand hoe dat zit?

 

Roofvogels waren niet zo zeldzaam als dat je zouverwachten. Buizerds en kiekendieven doken af en toe op en in Torún zag ikzelfs een slechtvalk. Ik had gehoopt dat ik bij de Oostzee een visarend ofzeearend zou zien, maar dat is helaas niet gebeurd. Dit was echter teverwachten. Wat voor mij geheel onverwacht was, was het ontbreken vantorenvalken. Ondanks dat het uitgestrekte cultuurgebied met vele bomen ideaalleefgebied zou moeten zijn voor de torenvalk, heb ik niet één exemplaar gezien.Een cultuurvolger die ik wel heel regelmatig zag was de ooievaar. De vogel wasoverduidelijk welkom op Poolse boerenhoven, want nesten waren heel algemeen ende ooievaars zelf niet bijzonder schuw. Vrijwel elk nest dat we zagen was bezetdoor een klaarblijkelijk broedend koppel.

Andere niet-jagende cultuurvolgers waren ook algemeen.Geelgors, veldleeuwerik en witte kwikstaart heb ik heel veel gezien en dat goldook voor de huismus en in mindere mate de ringmus. Anders dan je misschien zouverwachten in een gebied waar nogal gejaagd wordt, kwamen ook houtduif enTurkse tortel algemeen voor.

 

Tot zover mijn bevindingen over Polen. Ik had hetgraag nog gehad over de Merovingische invloed in het noorden of over de goedeen de voor Nederlanders zeer betaalbare keuken, maar ik ga het hier maar bijlaten. Deze post is intussen al lang genoeg.

Dscf0488


By on 13:36
De gifgroene veroveraar.

1120257

De halsbandparkiet (Psittacula krameri) is een blijvertje in Nederland. De soort verspreidt zich over de groenere delen van de Randstad, de aantallen nemen al jaren toe en ze worden eigenlijk niet tegengehouden. Ikzelf bezie dat met dubbele gevoelens. Aan de ene kant weet ik heel goed dat halsbandparkieten exoten zijn en dat ze mogelijk negatieve uitwerking hebben op inheemse soorten zoals de boomklever en de grote bonte specht (hoewel dat vooralsnog niet onomstotelijk is bewezen) en aan de andere kant vind ik het als papegaaienfan mooie vogels, ben ik blij dat er wilde papegaaien bij mij in de buurt leven en vind ik hun verspreiding, toename en succes uiterst interessant. Wat we hier namelijk zien zijn dieren die zich met succes aanpassen aan een voor hen onnatuurlijke biotoop en zich vanuit verschillende populatiecentra verspreidt over een steeds groter gebied.

Maar eerst iets over de oorsprong van de felgroene immigrant. Halsbandparkieten zijn van oorsprong de papegaaien met het ruimste natuurlijke verspreidingsgebied van allemaal. De soort heeft een opvallend, gespleten verspreidingsgebied over Zuid-Azië (en dan met name India) en oostelijk Afrika ten zuiden van de Sahara. Daarnaast wordt soms de echoparkiet Psittacula echo van Mauritius door sommigen als ondersoort van Psittacula krameri behandeld, maar dat is denk ik terecht niet meer gangbaar tegenwoordig. In ieder geval wijst dat oorspronkelijke verspreidingsgebied van de halsbandparkiet erop dat de soort waarschijnlijk ook in de tussenliggende gebieden voorkwam in het verleden. Wellicht dat ijstijden, verwoestijning, ontbossing of andere factoren hen in de tussenliggende gebieden de das omgedaan hebben in het verleden. Bij mijn weten is de halsbandparkiet niet van fossielen bekend en kwam de soort zeker in historische tijden niet voor in bijvoorbeeld Irak, Syrië, Egypte of Somalië. Doordat we geen fossielen hebben is het ook niet te zeggen of de soort of een nauwe verwant misschien niet in Europa geleefd heeft. Het is mogelijk, maar we weten het niet.

In ieder geval is de soort voor de 20e eeuw in Europa niet vastgesteld als in het wild voorkomende soort. De oorsprong van de huidige populatie is ook simpel vast te stellen: Ontsnappingen en actief loslaten. Wie er oog voor heeft weet dat het regelmatig voorkomt dat dieren uit gevangenschap ontsnappen of losgelaten worden. Ik ben zelf toch meer een salonvogelaar dan een twitcher die voortdurend in het veld is en op zoek naar nieuwe soorten om aan zijn checklist toe te kunnen voegen, maar ben bijvoorbeeld ook roodgezichtagapornissen (Agapornis roseicollis), Carolina-eenden (Aix carolinensis), mandarijneenden (Aix galericulata, zwarte zwanen (Cygnus atratus) en kleine flamingo’s (Phoenicoparrus minor) tegengekomen die ontegenzeglijk uit gevangenschap ontsnapt moeten zijn. Het komt echter slechts zelden voor dat dergelijke ontsnappingen leiden tot succesvolle populaties die zich ook voortplanten en verspreiden. In het geval van de halsbandparkiet is dat wel gebeurd. In Nederland schijnt dit in de jaren ’60 gebeurd te zijn. Verder gaat de documentatie over succesvolle voortplanting in de Nederlandse vrije natuur in ieder geval niet. Overigens is die datering niet vreemd; In de jaren ’60 en ’70 was het houden en kweken van met name kleine vogels een veel populairdere hobby dan tegenwoordig en was de halsbandparkiet waarschijnlijk op het toppunt van zijn populariteit als kooi- en volièrevogel. Ontsnappingen zullen dan ook algemener zijn geweest dan tegenwoordig en met name in steden was het dan mogelijk voor ontsnapte of losgelaten exemplaren om elkaar te vinden en samen op te trekken. Blijkbaar is dit wat gebeurd is bij de halsbandparkiet en stammen alle nu levende exemplaren in Nederland af van een klein aantal ontsnappers en vrijgelatenen in de jaren ’60 en ’70, wellicht af en toe aangevuld met nieuwe exemplaren in latere jaren.

Overigens is dit geen zuiver Nederlands fenomeen. België, Groot-Brittanië, Duitsland en Spanje hebben hun eigen zeer succesvolle populaties die waarschijnlijk een zelfde oorsprong hebben. Ook deze nemen toe in aantal en verspreiding. Daarnaast komt de soort ook als exoot voor in Florida, Singapore, de Verenigde Arabische Emiraten, het Caribische gebied, Australië, Mauritius en waarschijnlijk ook nog vele andere plekken.

Wat betreft de Nederlandse populatie is het de vraag hoe de toekomstige expansie zal uitpakken. Het verspreidingskaartje hieronder, afkomstig van waarneming.nl geeft aan van welke locaties de soort gerapporteerd is. De soort komt klaarblijkelijk al over heel Nederland al voor. We moeten hier echter rekening houden met een aantal dingen. Veel van de meldingen uit perifere gebieden gaan over één of een heel klein aantal exemplaren en niet over echte populaties. Sommige meldingen zijn al enige tijd geleden gemaakt, wat blijkbaar betekent dat de dieren zich daar niet gevestigd hebben. Daarnaast is er de mogelijkheid dat sommige meldingen eigenlijk slaan op andere ontsnapte parkieten die aangezien zijn voor halsbandparkieten. Aan de andere kant is het natuurlijk ook zo dat lang niet alle dieren gemeld zullen worden. Hoe dan ook geeft dit kaartje waarschijnlijk een vertekend beeld weer, hoewel het niet mogelijk is te zeggen hoe vertekend.

116

Waar er echter veel dieren gerapporteerd worden, kunnen we er vrijwel zeker van zijn dat de soort wel degelijk voorkomt. De belangrijkste steden voor de halsbandparkiet lijken vooralsnog Den Haag (inclusief Voorburg), Amsterdam en Rotterdam (inclusief Vlaardingen en Schiedam) te zijn. Dit strookt ook helemaal met mijn eigen observaties. In de bijna zes jaar die ik nu in Rotterdam woon heb ik de soort toe zien nemen van een relatieve bijzonderheid die ik op moest zoeken om te zien tot een soort die heel makkelijk te vinden is en vrij algemeen. Halsbandparkieten vinden in Amsterdam en Den Haag kost ook weinig moeite. We zien echter dat de soort ook in diverse andere steden een voet aan de grond heeft gekregen. Utrecht is daar het meest recente voorbeeld van. De soort beperkt zich overigens niet tot de steden; uit eigen observatie weet ik dat ook de suburbs en misschien sommige plattelandsgebieden tot het areaal behoren. In ieder geval heb ik ze zelf in Berkel en Rodenrijs vlakbij Rotterdam gezien en ook tussen Rotterdam en Delft. (Overigens heb ik de soort ook in Deventer gezien, maar dat laat ik nu even buiten beschouwing omdat ik focus op de Randstad.)

Bij mijn weten is niet bekend hoeveel contact er is tussen die verschillende populaties in verschillende steden. Er wordt door bijvoorbeeld SOVON vanuit gegaan dat ze een gescheiden oorsprong hebben en dat er vooralsnog weinig tot geen contact is tussen de verschillende populatiecentra. Persoonlijk betwijfel ik dat. De ‘invasie’ van Utrecht door een hele groep halsbandparkieten tegelijk, de vluchten die ik zelf buiten de steden heb gezien, het sterke vliegvermogen van de soort, de snelle toename en misschien ook de meer of minder eenzame exemplaren die in ‘de periferie’ gezien worden suggereren naar mijn idee dat de soort actief op zoek gaat naar geschikte biotopen en dat de al bestaande populaties elkaar aanvullen en misschien niet zo onafhankelijk van elkaar leven als dat ze lijken. Wat mij niet duidelijk is, is of er bij tijd en wijle simpelweg sprake is van een exodus getriggerd door overpopulatie of gebrek aan habitat of dat omzwervingen en contact tussen diverse populaties simpelweg onderdeel zijn van het normale gedrag van de soort. Relevant is misschien dat met name de Amsterdamse populatie bekend staat als ‘weinig honkvast’.

Overigens is het niet zo dat de toename van de soort ongebreideld is. Als holenbroeder is de halsbandparkiet immers afhankelijk van geschikte boomholtes en nestkasten. Deze zijn met name in steden maar beperkt aanwezig en zijn ook geliefd bij andere soorten. In de praktijk betekent dit waarschijnlijk dat jaarlijks slechts een relatief klein deel van de populatie aan voortplanting toekomt en dat er voor jongere koppels een zekere wachttijd bestaat voordat ze zich voort kunnen planten. Aangezien vogels over het algemeen vrij oud kunnen worden, hoeft dat voor de soort echter geen enorm probleem te zijn. Desalniettemin komt een groot deel van de volwassen halsbandparkieten waarschijnlijk niet aan broeden toe. Daarnaast is predatie een factor die de toename enigszins afremt. Bosuil, sperwer en slechtvalk zijn in Nederland bevestigde jagers op de halsbandparkiet. Waar ze overlappen zijn havik en boomvalk ook waarschijnlijke predatoren en ook katten en nestrovers zoals eksters, kraaien, gaaien en grote bonte spechten spelen wellicht ook een beperkte rol. Wanneer beide soorten in de toekomst toenemen, kan wellicht ook de oehoe een factor gaan worden.

Ongeacht hoe snel de verspreiding van de soort precies verloopt en aangewakkerd wordt, denk ik wel dat vaststaat dat wanneer de huidige trends aanhouden de bestaande populaties steeds meer in elkaar zullen overlopen en dat de rest van in ieder geval de steden van Nederland ook gekoloniseerd zullen worden in de komende decennia. Vanaf dat moment is het eigenlijk maar een kwestie van tijd voordat de Nederlandse populatie contact maakt met die van België en Duitsland en de soort in ieder geval in deze regio een groot, aaneengesloten verspreidingsgebied heeft dat zich in de breedte op zijn minst uitstrekt van Den Haag tot Berlijn. 

De halsbandparkiet is trouwens niet de enige papegaaiensoort die zich gevestigd heeft in Nederland. Zijn nauwe verwant, de Grote Alexanderparkiet (Psittacula eupatria), komt ook in bescheiden aantallen voor in en rondom Amsterdam. Alphen aan de Rijn heeft een toenemende populatie van Zuid-Amerikaanse monniksparkieten (Myiopsitta monachus). Beide soorten, met name de monniksparkiet, zijn vrij algemene volièrevogels en hebben ook elders in Europa wilde populaties. Persoonlijk denk ik dat met name de monniksparkiet een gouden toekomst tegemoet gaat. Deze geharde soort is namelijk één van de weinige papegaaien die een takkennest maken. In het geval van deze parkiet is het beter om te spreken van een takkennestcomplex aangezien elk van deze enorme nesten een nestplaats biedt aan meerdere paren (plus andere diersoorten die er gebruik van willen maken en getolereerd worden). In een stadsomgeving kan dit inhouden dat de monniksparkiet niet beperkt wordt door de hoeveelheid beschikbare nestholtes en dus sneller toe kan nemen dan dat de halsbandparkiet doet.    

1 April 2010
By on 12:24
Welke zoogdieren overleefden het Krijt? Deel 2: Over snavels, eilandlifters en een enigma.

In de vorige post hebben we gekeken naar placentale zoogdieren en hun verwanten, evenals naar buideldieren en heel kort naar multituberculaten en gondwanatheren. Deze post is het vervolg daarop en behandelt het restant van de zoogdieren die het Krijt overleefd (moeten) hebben. Daarnaast kijken we ook nog even naar een dier dat misschien niet eens een zoogdier was, maar wel relevant voor dit onderwerp.

We beginnen met de monotremen. Naast dat vogelbekdieren (Platypoda) en mierenegels (Tachyglossa) uiterst coole zoogdieren zijn en dan nog niet eens alleen omdat ze eieren leggen, zijn ze minstens even interessant doordat ze altijd al een kleine, overschaduwde groep lijken te zijn geweest die desalniettemin gewoon vrolijk door is blijven bestaan en op hun bescheiden schaal door is blijven evolueren. Fossielen zijn er eigenlijk nauwelijks. We kennen monotremen als Steropodon en Kollikodon van fossiele tanden uit het vroege Krijt en daarnaast nog een handjevol fossiele soorten (veelal vogelbekdieren) uit het Kenozoicum. (Waaronder Monotrematum uit het late Paleoceen van Zuid-Amerika, de enige bekende niet-Australische monotreme!) Verder is het allemaal mysterieus, te meer daar alle monotremen van voor het Mioceen slechts van tanden bekend zijn.

De gangbare wijsheid is dat vogelbekdieren en mierenegels, die er toch ook echt heel verschillend uit zien, al een lange gescheiden evolutie door hebben gemaakt. Dit werd ook ondersteund door de fossielen. Immers, alle fossiele monotreme tanden leken heel sterk op die van vogelbekdieren. Dat wil zeggen, jonge vogelbekdieren. Volwassen exemplaren hebben geen tanden meer. Deze tanden gingen terug tot het vroege Krijt, dus vogelbekdieren en per extensie mierenegels moesten ook toen al bestaan hebben. Beide hadden dus het Krijt overleefd.

Enigszins verontrustend was wel dat mierenegels (zowel de levende soorten als de weinige bekende fossiele) geen tanden hebben en die dus ook niet vergeleken kunnen worden met die van andere monotremen. En wanneer die andere monotremen alleen bekend zijn van tanden, betekent dat dus dat de eigenaars feitelijk niet te vergelijken zijn. We weten niet wat voor tanden de voorouders van mierenegels hadden dus dat fossiele tanden van monotremen zonder meer toegeschreven worden aan vogelbekdieren is dus niet helemaal kosjer.

Zo blijkt ook uit recente studies. Deze geven namelijk aan de twee groepen helemaal niet zo lang geleden van elkaar gescheiden zijn. In ieder geval niet in het Krijt. En eigenlijk ook niet in het Paleoceen. Nee, hier komt het, pas in het vroegste Mioceen! Slechts 20 miljoen jaar geleden!

De conclusie van dit onderzoek is dat mierenegels ongeveer 20 miljoen jaar geleden geëvolueerd zijn uit vogelbekdieren (zij het niet van de moderne soort) die het land op gingen, hun brede snavels ‘oprolden’ tot een buis, permanent tandeloos en stekelig werden.

Dit klinkt tamelijk bizar, maar zou eigenlijk heel goed verklaren waarom mierenegels gewoon voor het Mioceen niet voorkomen als fossiel. Daarnaast staat het ook toe dat we de tanden uit het Krijt en Paleoceen toe blijven schrijven aan vogelbekdieren. Het maakt ook waarschijnlijk dat er slechts één soort monotreme was in dat allervroegste Paleoceen en geen twee.

Nu resten er nog twee uiterst interessante fossielen voor dit hele verhaal. De eerste, pas enkele jaren geleden beschreven, staat momenteel bekend als ‘the SB-mammal’. Deze naam is een verwijzing naar de plaats Saint Bathans in Nieuw-Zeeland waar het fossiel is ontdekt. Ja, in Nieuw-Zeeland. Lange tijd werd er geloofd dat deze archipel met zijn vreemde flora en fauna gedurende het hele Kenozoicum tot zo’n 1000 jaar geleden geen inheemse zoogdieren had, behalve zeezoogdieren en vleermuizen. Nu weten we dat er in ieder geval tot en met het vroege Mioceen kleine zoogdieren rondliepen. Er was wel al gespeculeerd (onder meer door Errol Fuller in zijn Extinct Birds) dat er vroege zoogdieren aanwezig waren geweest toen Nieuw-Zeelands tektonische plaat afscheid nam van die van Australië en Antarctica, maar tot enkele jaren terug was dat niet meer dan speculatie. Nu weten we dat het echt zo was

.

Het is deze heel vroege afscheiding van Nieuw-Zeeland en Australië die het SB-zoogdier zo interessant maken. Immers, zijn voorouders stamden uit een tijd van lang voor er metathere of euthere zoogdieren in Australië voorkwamen. Vooralsnog is het SB-zoogdier slechts bekend van heel eigenaardige kaken en tanden. Dit maakt het vaststellen van de naaste verwanten geen makkelijke klus, maar er zijn wel pogingen gewaagd. Die onderzoeken wijzen erop dat de multituberculaten waarschijnlijk de nauwste bekende verwanten zijn maar het diertje zelf niet tot die groep behoorde. Als dat klopt, dan vormt het SB-zoogdier helemaal op zichzelf het bewijs voor het overleven van nog een zoogdiergroep uit het Krijt. Wanneer deze groep uitgestorven is weten we niet omdat ze vooralsnog slechts van deze ene fossiele soort bekend zijn. Maar op basis van de waarschijnlijke verwantschappen en de tektoniek kunnen we wel stellen dat ze in ieder geval al diep in het Krijt moeten hebben bestaan als aparte groep.

Het laatste wezentje dat besproken moet worden is Chronoperates. Indien dit laat-Paleocene fossiel is wat het zou kunnen zijn, dan is het veruit de meest intrigerende overlevende uit het Krijt. Chronoperates zou dan namelijk de laatst overlevende verwant zijn van…alle zoogdieren samen. De kaak van dit dier (zoals je wellicht al verwachtte het enige dat ervan bekend is) komt namelijk overeen met die van tritylodonten. Ik vergeef je als je niet weet waarom dat belangrijk is, maar ik zal uitleggen waarom. Tritylodonten waren namelijk heel erg zoogdierachtige diertjes met knaagdierachtige gewoonten, maar geen echte zoogdieren. Ze waren nauw verwant en zeer waarschijnlijk bedekt met haar, in het bezit van snorharen en melkgevend…maar geen zoogdieren. Die worden namelijk gedefinieerd op basis van de gehoorbeenderen en de kaken: de oorspronkelijk in de kaak huizende botten aambeeld, stijgbeugel en hamer zijn bij echte zoogdieren namelijk de gehoorbeenderen gaan vormen waardoor de onderkaak slechts bestaat uit één bot in plaats van de oorspronkelijke vier. Bij tritylodonten is dit proces niet voltooid en dus zijn het officieel geen zoogdieren. Misschien vraag je je nu af waarom er zulke schijnbaar willekeurige definities gebruikt worden in de taxonomie; dit is omdat uiteindelijk alle organismen in elkaar overlopen en er dus tamelijk arbitraire grenzen gesteld dienen te worden.

Hoe dan ook, als Chronoperates inderdaad een Paleocene tritylodont is, dan is het wel de meest extreme overlever van allemaal (zij het helaas geen overlever in de rest van het Kenozoicum!).

En hiermee beëindig ik het tweeluik ‘welke zoogdieren overleefden het Krijt?’ met, enigszins misleidend, een dier dat wellicht niet eens een zoogdier was. Dat was trouwens ongepland, maar al bloggend betreedt je soms andere paden dan het verwachtte. Zo had ik eigenlijk ook niet verwacht dat het uiteindelijk twee posts zouden worden. Ik hoop dat je een hoop opgestoken hebt en nu mijn interesse in dit onderwerp deelt. Of eigenlijk een heleboel onderwerpen: Ik merkte tijdens het schrijven dat ik voortdurend afdwaalde en mijn best moest doen beknopt te blijven.

30 March 2010
By on 08:59